Teksten over Brussel – publicatie van het O.V.V. uit 1999

Volledige tekst in pdf (295 kB)

Overlegcentrum van Vlaamse Verenigingen

Teksten over Brussel

pp. 2 – 4 Verenigingen aangesloten bij het O.V.V.

Standpunten van het O.V.V.

pp. 6 – 9 Brussel, Hoofdstad van Vlaanderen
pp. 10 – 26 Beleidsnota Brussel
pp. 27 – 32 Uitbouwen van Vlaamse dienstverlening in Brussel inzake welzijn en gezondheid
pp. 33 – 41 Een Vlaamse scholenpolitiek voor Brussel

Reflectieteksten

pp. 42 – 59 Een Vlaamse Brussel-politiek op langere termijn
pp. 60 – 65 De invloed van de demografie in Vlaanderen op de Vlaamse aanwezigheid in Brussel.

OVERLEGCENTRUM van VLAAMSE VERENIGINGE

Voorzitter : Prof. Matthias E. Storme

Vaste leden van het Praesidium :
Agemeen Zangverbond
Davidsfonds
Ijzerbedevaartkomitee
Katholiek Vlaams Hoogstudentenverbond
Verbond der Vlaamse Academici
Verbond van Vlaams Overheidspersoneel
Vlaamse Volksbeweging
Vlaams Komitee Brussel

Tijdelijke leden van het Praesidium
Vlaamse Ingenieurskamer
Vlaams Geneeskundigenverbond

Andere leden van de Algemene Vergadering :

Algemeen Nederlandsverbond Vlaanderen
Bond van Grote en Jonge Gezinnen
Delta-Stichting
Federatie van Vlaamse Kringen – Rodenbachfonds
Federatie van Vlaamse Vrouwengroepen
Halle – Vilvoorde Komitee
Internationale Kring
Instituut voor Europese Vorming
Jeugdbond Natuurbehoud en Milieustudie
Komitee der Randgemeenten
Koninklijke Vlaamse Ingenieursvereniging
Liberaal Vlaams Verbond
Liberaal Vlaams Studentenverbond
Masereelfonds
Werkgroep Meervoud
Nationalistische Studentenvereniging
Nationalistisch – Verbond-Nederlandse
Volksbeweging
Nova Civitas
Oud-AKVS
Werkgroep Het Pennoen
Priester Daens-fonds
Stichting Lodewijk de Raet
Taalactiekomitee
Doktersgild Van Helmont
Vlaams Agrarisch Centrum
Vereniging van Vlaamse Leerkrachten
Vlaamse Leerkrachten voor Kwaliteitsonderwijs
Vereniging van Vlaamse Professoren Leuven
Vereniging van Vlaams Nationale Auteurs
Vereniging van Vlaamse Ziekenfondsen
Vereniging voor Wetenschap
Stichting Vlamingen in de Wereld
Vlaamse Culturele Koepel (waarnemer)
Vlaamse Jeugdbond voor Natuurstudie en Jeugdbehoud – Natuur 2000
Vlaams Kruis
Vlaams Nationaal Jeugdverbond
Vlaams Komitee Druivenstreek
Vlaams-Nationale Studentenunie
Vlaams Pleitgenootschap Brussel
Vlaams Verbond Gepensioneerden
Verbond V.O.S.
Vlaamse Cultuurstichting
Vlaamse Culturele Producties
Vlaams Internationaal Centrum
Vlaams-Afrikaanse Vereniging – Vrienden van Zuid-Afrika
Vlaams-Zuidafrikaanse Cultuurstichting
Vormingsinstituut Wies Moens
Stichting-Vereniging Zannekin (waarnemer)

OVERLEGCENTRUM van VLAAMSE VERENIGINGEN

Teksten over Brussel, voorbereid door de Werkgroep Brussel en aanvaard als standpunt of als reflectietekst door het Praesidium.

Standpunten van het O.V.V. : Deze teksten werden voorbereid door een werkgroep waaraan afgevaardigden van verschillende verenigingen, leden van het praesidium of van de algemene vergadering, deelnamen. De teksten werden vooraf voorgelegd aan alle leden van het praesidium en van de algemene vergadering. Ze werden unaniem goedgekeurd of aanvaard als een standpunt van het O.V.V. door de leden van het praesidium en daarna ter onderschrijving voorgelegd aan de leden van de algemene vergadering. Ze werden onderschreven door een meerderheid van de leden van de algemene vergadering.

Reflectieteksten : Deze teksten werden voorbereid door een werkgroep waaraan afgevaardigden van verschillende verenigingen, leden van het praesidium of van de algemene vergadering, deelnamen. De teksten werden vooraf voorgelegd aan alle leden van het praesidium en van de algemene vergadering. Ze werden unaniem aanvaard als reflectietekst door de leden van het praesidium.

Brussel, Hoofdstad van Vlaanderen

キ de achteruitgang van de Vlaamse bevolking in Brussel

キ gebrek aan macht en inspraak van de Vlamingen in het bestuur en vooral dan op gemeentelijk niveau

キ gebrek aan efficiënte controle op de benoemingen

キ het niet respecteren van de taalwetten

キ gebrek aan efficiënte voogdij over het bestuur

Het Hoofdstedelijk Gewest blijkt geen bruikbaar instrument te zijn om een einde te maken de achteruitstelling van de Brusselse Vlamingen, noch om van Brussel een leefbare stad te maken.

De huidige structuur van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest werkt niet, zoals onder meer blijkt uit de financiële wantoestand en uit de huidige institutionele crisis. In ieders belang moet deze structuur dan ook dringend herzien worden

Het Hoofdstedelijk Gebied Brussel moet onder gezamenlijk bestuur komen van de Vlamingen en de Franstalige Brusselaars. De Brusselse Vlamingen moeten rechtstreeks en bevoorrecht vertegenwoordigd worden in het Vlaams Parlement. Op termijn moet Brussel volwaardig deel uitmaken van de Vlaamse (deel)staat.

Dit sluit nauw aan bij de huidige staatskundige evolutie om de band tussen de Brusselse Vlamingen en de Vlaamse Gemeenschap aan te halen en de bevoegdheden van de Franse Gemeenschap over te dragen (Sint-Kwintensakoord). Brussel en Vlaanderen zijn meer op elkaar aangewezen dan Brussel en Wallonië.

1. op nationaal niveau

(a) persoonsgebonden aangelegenheden

De Vlamingen en de Franstalige Brusselaars moeten elk afzonderlijk volle bevoegdheid genieten over persoonsgebonden aangelegenheden, d.i. unicommunautair bestuur. Wetgeving terzake vergt een meerderheid hetzij in het Vlaams Parlement hetzij in de vergadering van de Franse Gemeenschapscommissie (FGC).

Omwille van de leefbaarheid zouden enkele van de ‘bicommunautaire’ (en federale) cultuur-instellingen, zoals de Munt, aan het hierna genoemd cocommunautair bestuur toevertrouwd kunnen worden in plaats van aan een unicommunautaire of plaatselijke overheid.

(b) plaatsgebonden aangelegenheden

De Vlamingen en de Franstalige Brusselaars moeten samen bevoegd worden over grond-gebonden aangelegenheden in Brussel, d.i. cocommunautair bestuur. Wetgeving terzake vergt een meerderheid van stemmen én in het Vlaams Parlement én in de vergadering van de Franse Gemeenschapscommissie (FGC).

Het Hoofdstedelijk Gebied kan in geen geval een (deel)staat met wetgevende macht worden, naar het voorbeeld van Vlaanderen en Wallonië. Wel kan het voor grondgebonden aangelegenheden worden uitgebouwd tot een provincie (sui generis).

2. op plaatselijk niveau

De Vlaamse Gemeenschapscommissie (VGC), als gedecentraliseerd bestuur, moet voor persoonsgebonden aangelegenheden worden omgebouwd tot de zesde Vlaamse provincie (sui generis). Voor grondgebonden aangelegenheden op ‘provinciaal’ niveau moeten de Brusselse Vlamingen en de Franstalige Brusselaars samen besturen.

Voor zover niet alle Brusselse gemeenten worden samengevoegd, moet dat minstens voor enkele ervan gebeuren. Deze samenvoeging(en) en de gewaarborgde vertegenwoordiging van de minst talrijke taalgroep moet leiden tot nieuwe en efficiëntere structuren en tot een leefbare stad.

Op het uitvoerend vlak (‘deputatie’, college, vast bureau, …) moet er pariteit komen voor beide Gemeenschappen, zoals die nu bestaat op federaal vlak. In de raden moet een derde van de zetels worden voorbehouden aan de minst talrijke taalgroep.

3. financiën en bestuurlijk toezicht

Vlaanderen moet meer dan ooit krachtdadig investeren in Brussel en zijn volle verantwoordelijkheid opnemen voor de leefbaarheid van deze stad, ook op financieel vlak.
In persoonsgebonden aangelegenheden moeten de Vlaamse Regering en het college van de Franstalige Gemeenschapscommissie elk toezicht uitoefenen over de gedecentraliseerde overheden die hun Gemeenschap betreffen.
In grondgebonden aangelegenheden moeten de Vlaamse Regering en het college van de Franstalige Gemeenschapscommissie het toezicht gezamenlijk uitoefenen en op efficiënte wijze. Voor benoemingen moet er een ‘positieve voogdij’ worden ingesteld, die erop neerkomt dat ze voorafgaandelijk worden goedgekeurd.
Om de taalwetten te doen eerbiedigen moet de Vaste Commissie voor Taaltoezicht meer slagkracht krijgen. Zij moet verplicht optreden tegen elke inbreuk op de taalwetgeving. Er moeten aan die inbreuken ook strenge sancties verbonden worden.

Vlaanderen heeft Brussel nodig als Hoofdstad en ook Brussel heeft Vlaanderen nodig, onder meer als sociaal-economisch ‘hinterland’. Aan deze noden kan evenwel maar worden voldaan indien Brussel leefbaar en werkelijk tweetalig wordt, met een reële machtsdeelname van de Vlamingen.

Daartoe moeten er een voldoende aantal Vlaamse inwoners zijn in Brussel. Het ‘wonen in Brussel’ moet voor de Vlamingen dus echt aantrekkelijk gemaakt worden. Dit veronderstelt dat met spoed en verregaand geïnvesteerd wordt in een ‘offensief beleid’, onder meer inzake :

キ huisvesting en ruimtelijke ordening : Er moeten nog veel meer degelijk uitgeruste, betaalbare en aantrekkelijke woningen komen, vooral voor jonge Vlaamse gezinnen. Er moet ook veel meer aandacht gaan naar de totstandkoming van leefbare buurten, waar het aangenaam is om te wonen.

キ beroepsopleiding en economie : De VDAB heeft ook in Brussel de volle bevoegdheid voor beroepsopleiding, maar heeft die tot nu toe nauwelijks of niet gebruikt. De Vlaamse Regering moet bovendien meer dan bijzondere aandacht besteden aan de belangenverdediging van de talrijke Vlaamse bedrijven in de Hoofdstad.

キ onderwijs en toerisme : De Vlaamse Gemeenschap kan in Brussel nog veel meer doen voor Nederlandstalig onderwijs en Nederlands Tweede Taal (NT2), ook naar migranten toe. Vlaanderen heeft volle bevoegdheid over toerisme in Brussel, maar heeft deze sector totnogtoe toe (bijna) volledig overgelaten aan de Franstaligen.

キ welzijn en gezondheidszorg : (Zie bijlage : eerdere nota OVV, verder op te volgen)

Een meer actieve politiek in Brussel van de Vlaamse Gemeenschap, ook binnen het huidige bevoegdheidskader, kan de Vlaamse aanwezigheid in Brussel versterken en duidelijker zichtbaar maken.

BELEIDSNOTA BRUSSEL

De werkgroep is uitgegaan van de studie van het Vlaams Komitee voor Brussel die gepubliceerd werd in De Brusselse Post van september 1995 onder de titel “Memorandum voor de Vlaamse Regering – Proeve van een reddingsplan voor de Vlaamse Gemeenschap van Brussel” en van een informele Brussel-nota van 10 juni 1996.

Een belangrijk uitgangspunt is dat we voorstellen wilden formuleren binnen het kader van de huidige instellingen en bevoegdheden. Waar maatregelen nuttig kunnen genomen worden, doch enkel na institutionele hervormingen worden deze aangestipt. De huidige nota bedoelt maatregelen voor te stellen die de Vlaamse Regering als dusdanig meteen kan nemen.

Verder is het niet aan het OVV de kost van de voorgestelde initiatieven te ramen of in de begroting in te passen : essentieel is het aanbrengen van ideeën.

In deze nota worden de Nederlandstalige Brusselaars Vlamingen genoemd. We willen door het gebruik van de juiste term “Vlaming” aangeven dat een Nederlandstalige Brusselaar een volwaardige Vlaming is, net zoals inwoners uit Antwerpen, Gent of elders in Vlaanderen. Er leven in Brussel echter ook onder de niet-Nederlandstalige Vlamingen. Om een nodeloos ingewikkeld woordgebruik te vermijden maken we daarvan geen afzonderlijke categorie. We rangschikken ze in deze tekst bij de Franstalige Brusselaars, een term die vanzelfsprekend ook andere groepen omvat. Onze indeling steunt dus op het taalgebruik en is evenmin perfect als andere, maar werd omwille van de gemakkelijke hanteerbaarheid gekozen.

Inhoudstafel :

A. Analyse van de huidige toestand
1. Wetten en maatregelen
2. Oorzaak van de verminderde Vlaamse aanwezigheid in Brussel
3. Waarom verlaten Vlamingen Brussel ?
4. Waarom blijven sommige Vlamingen in Brussel ?
5. Vlaamse pendelaars in Brussel
6. Verfransing van Vlaamse inwijkelingen

B. Motivering van een Brussel-politiek voor de Vlaamse Gemeen­schap
1. Het economisch belang van Brussel voor Vlaanderen
2. Het stoppen van de verfransing rondom Brussel
3. Brussel als hoofdstad van Vlaanderen
4. Vlaanderen heeft een grondwettelijke bevoegdheid in Brussel
5. Een belangrijke Vlaamse bevolking in Brussel is noodzakelijk, in het
vooruitzicht van verdere institutionele hervormin­gen.

C. Doelstelling van een Brussel-politiek van Vlaanderen
1. Een voldoende Vlaamse aanwezigheid in Brussel
2. Vrijwaren van het Vlaams karakter van de streek rond Brussel
3. Het uitbouwen van een Vlaams cultureel leven in en rond Brussel.

D. Concrete maatregelen

a) Meteen te verwezenlijken :
1. Commissariaat voor Vlaamse Aanwezigheid in Brussel.
2. Vlaamse ombudsdienst voor taalwetnaleving
3. Uitbouwen van Vlaamse dienstverlening te Brussel inzake persoonsgebonden materies
4. Actieve migranten-politiek
5. Vlaamse scholen in Brussel
6. Aantrekken en begeleiden van Vlaamse inwijkelingen in Brussel
7. Campagne ter bevordering van het gebruik van het Nederlands in Brussel
8. Campagne ter bevordering van het Nederlands in het Brusselse straatbeeld
9. Efficiënter gebruik van TV-Brussel ter bevordering van het Nederlands in Brussel
10. Uitbouwen van verkeersinfrastructuur in functie van de Vlaamse belangen
11. Een betere ontvangst van de Nederlandstalige radiozenders
12. Uitbouwen van Telenet-Vlaanderen in Brussel
13. Een begin van eigen fiscaliteit
14. Een betere financiering van de Vlaamse Gemeenschapscommissie

b) Na institutionele hervorming :
1. Sociale zekerheid
2. Aanpassing van de gemeentelijke instellingen, en eventueel overheve­ling van sommige instellingen – ondermeer de O.C.M.W.’s – en bevoegdheden naar de respectieve gemeen-schapscommissies
3. Overheveling van de bevoegdheid voor huisvesting naar de gemeenschappen
4. Splitsing van het kiesarrondissement Brussel-Halle-Vilvoorde
5. Afschaffen van de taalfaciliteiten rond Brussel

In de laatste 20 jaar is de Vlaamse bevolking in Brussel in belangrijke mate verminderd. Indien we deze ongunstige trend willen ombuigen moeten we eerst een antwoord zoeken op de volgende vragen :

WAAROM VERTREKKEN VLAMINGEN UIT BRUSSEL ?
HOE KRIJGT MEN NIEUWE VLAMINGEN IN BRUSSEL ?

A.1. Wetten en maatregelen.

Om de Vlaamse aanwezigheid in Brussel te vrijwaren heeft men in het verleden zijn toevlucht gezocht in wetgevende maatregelen, o.a. de taalwetten inzake bestuurszaken, gerecht en leger. Deze wetten hebben de discriminaties tegen de Vlamingen grotendeels weggewerkt en hebben de verfransing in belangrijke mate vertraagd. Dankzij deze wetten is er aanvankelijk een verbetering geweest van de toestand van de Vlamingen in Brussel. Niettegenstaande deze wetten is er in de laatste jaren een achteruitgang van de Vlaamse aanwezigheid in Brussel. Om de Vlaamse aanwezigheid in Brussel opnieuw te verbeteren zullen naast een correcte toepassing van deze wetten ook andere maatregelen noodzakelijk zijn. We moeten ervan uitgaan dat de Vlamingen in Brussel over dezelfde rechten moeten beschikken als de Franstalige Brusselaars. Gunstmaatregelen binnen de Vlaamse Gemeenschap zijn evenwel noodzakelijk en verantwoord om een volledig net van Nederlandstalig onderwijs in stand te houden, alsook voor het Vlaams cultureel leven in Brussel en voor de uitbouw van gewaarborgde dienstverlening.

Zowel voor het Brussels Hoofdstedelijk gewest als voor de rest van Vlaanderen is een politiek die Vlamingen ertoe zou brengen terug in Brussel te gaan wonen wenselijk. Het Brussels Hoofdstedelijk gewest heeft plannen om binnen de 10 jaar 40.000 nieuwe inwoners te verwerven. Een positieve discriminatie uitgaande van de federale of de Brusselse gewestelijke overheid om bij voorkeur Vlamingen aan te trekken is moeilijk haalbaar. We moeten dus vrezen dat alle algemene maatregelen om het wonen in de stad aantrekkelijker te maken niet op dezelfde manier Vlamingen als Franstaligen en anderstaligen zullen aantrekken. Enkel door het eigen beleid van de Vlaamse Gemeenschap kunnen op een specifieke manier personen aangetrokken worden voor deze gemeenschap te Brussel.

A.2. Oorzaak van de verminderde Vlaamse aanwezigheid in Brussel.

De vermindering van het aantal Vlamingen in Brussel is het saldo van de Vlamingen die geboren worden, overlijden, inwijken, uitwijken of overstappen naar de Franstalige gemeenschap en van de Franstaligen en vreemdelingen die zich aansluiten bij de Vlaamse gemeenschap.1 Zeer vereenvoudigend kunnen we stellen dat de belangrijkste oorzaak op korte termijn ligt in het stilvallen van de Vlaamse inwijking in Brussel en in het uitwijken van vooral jonge gezinnen. De verhouding tussen geboorten en overlijdens is ook belangrijk, maar oefent zijn invloed uit op langere termijn.

A.3. Waarom verlaten sommige Vlamingen Brussel ?

De migratie uit de stad naar de voorsteden is een algemeen verschijnsel, waarin veel factoren meespelen : de duurte van de stad, de luchtvervuiling, de onveiligheid, enz. Voor Vlamingen is er een bijkomende reden om Brussel te verlaten, namelijk de vreemde en soms zelfs vijandige omgeving. Bovendien hebben de Vlamingen het voordeel dat ze, mits een zeer korte verplaatsing, in een homogeen Vlaamse omgeving kunnen wonen en voor hun professionele noden kunnen genieten van de voordelen van de grootstad. Vermits het voor de Vlamingen meestal aantrekkelijker is om in het Vlaamse gebied rond Brussel te wonen dan in de verfranste omgeving van de stad, moeten we verwachten dat algemene maatregelen om inwoners naar Brussel te lokken meer Franstaligen dan Vlamingen zullen aantrekken en dus geen oplossing kunnen brengen voor het probleem van de Vlaamse aanwezigheid in Brussel.

A.4. Waarom blijven sommige Vlamingen in Brussel of komen Vlamingen in Brussel wonen ?

Een aantal Vlamingen blijven in Brussel wonen, en voelen zich daar thuis. Er is ook nog een beperkte inwijking van Vlamingen.1 Indien we Vlamingen willen aantrekken in Brussel moeten we ons richten tot personen die reeds enige belangstelling hebben voor het wonen in Brussel en die we bijgevolg kunnen stimuleren mits bijkomende voordelen aan te bieden. We moeten er op toezien dat deze Vlaamse inwijkelingen niet zouden verfransen. Onze doelgroep mag dus niet bestaan uit Franstalige Vlamingen die in feite het Vlaamse milieu in Vlaanderen willen ontvluchten.
Jonge Vlamingen die in Brussel werk vinden of studeren lijken echter een evidente doelgroep. Vermits 300.000 Vlamingen in Brussel werken, mag aangenomen worden dat er jaarlijks zo’n 10.000 nieuw aangeworven worden. Deze mensen begeleiden om in de buurt van hun werk te gaan wonen ware zeker lonend.

A.5. Vlaamse pendelaars in Brussel.

Honderdduizenden Vlamingen, waaronder veel Vlaamse ambtenaren, komen dagelijks in Brussel werken, maar blijven in Vlaanderen wonen. Dit schijnt op het eerste gezicht een geschikte doelgroep te zijn om voor Brussel te winnen. Aangezien die Vlamingen Brussel in zekere mate kennen en menen dat ze redenen hebben om niet in Brussel te gaan wonen, moeten we de beweegredenen hiervoor verder bestuderen met het oog op een strategie om Vlamingen naar Brussel te brengen.1

A.6. Verfransing van Vlaamse inwijkelingen.

In het verleden is een meerderheid van de Vlaamse inwijkelingen in Brussel uiteindelijk verfranst. Indien dit in de toekomst ook zou gebeuren, ware het zinloos en zelfs schadelijk voor Vlaanderen om de inwijking naar Brussel te bevorderen. Het is daarom van groot belang de Vlaamse inwijkelingen in Brussel te begeleiden en te ondersteunen als Vlaamse gemeenschap. Hiervoor moet Vlaanderen de nodige structuren in Brussel oprichten en instandhouden.

B.1. Het economisch belang van Brussel voor Vlaanderen.

De Brusselse regio is niet alleen een schatkamer van materiële en immateriële goederen, maar is ook een belangrijke economische groeipool. Het Brussels regionaal vermogen (openbaar en particulier vastgoed, productiemiddelen, rollend materiaal, infrastructuur, enz. alsmede inkomensgeneratie) vertegenwoordigt een enorm kapitaal.

Naast deze materiële rijkdom, is er ook het immaterieel patrimonium van Brussel: door zijn positie als hoofdstad van België en als hoofdplaats van allerlei internationale instellingen is Brussel uitgegroeid tot het wellicht belangrijkste ontmoetingscentrum van Europa. De aanwezigheid van dit dichte knooppunt van lobbies, diplomatieke en andere zendingen, zetels van multinationale en officiële of semi-officiële diensten, enz. geeft een enorme aantrekkingskracht aan het land waar dat ontmoetingscentrum zich bevindt.

Een groot aantal Vlamingen van buiten Brussel (ca. 300.000) werkt dagelijks in Brussel en verdient er geld waarop belasting wordt geheven.

Een verbreking van de economische banden tussen Brussel en de rest van Vlaanderen zou grote economische nadelen hebben voor beide. Het behoud van de economische wisselwerking tussen Brussel en de rest van Vlaanderen moet een van de pijlers zijn van de Brussel-politiek van Vlaanderen. Om deze economische eenheid te behouden is een belangrijke Vlaamse aanwezigheid in Brussel noodzakelijk.

B.2. Het stoppen van de verfransing rondom Brussel.

In de laatste decennia is er een geleidelijke toename van de Franstalige bevolking in alle gemeenten rond Brussel. Deze verfransing was het belangrijkst in de zes gemeenten met faciliteiten voor Franstaligen, maar is ook belangrijk in een aantal andere gemeenten. Het is duidelijk dat Brussel de oorzaak is van deze verfransing: er is een inwijking van Franstalige inwoners uit Brussel en een inwijking van Nederlands-onkundige vreemdelingen die aangetrokken worden door de Europese functie van Brussel. De verfransing is ook in zekere mate te wijten aan een uitwijking van Vlamingen uit de meest verfranste gemeenten rond Brussel. Om verfransing te voorkomen en om de uitstraling van Brussel voor ons ten goede te keren is een actieve Vlaamse politiek ten gunste van het Vlaamse gebied rond Brussel noodzakelijk.

B.3. Brussel als hoofdstad van Vlaanderen.

Vlaanderen heeft terecht geopteerd voor Brussel als hoofdstad. Het politiek belang van Brussel als beslissingscentrum, ook voor Vlaanderen, is evident. Dit brengt voor Vlaanderen de plicht mee om een actieve Brussel-politiek te voeren die ervoor moet zorgen dat er een voldoende Vlaamse aanwezigheid is in Brussel en dat de Vlamingen die in Brussel wonen of werken of het bezoeken zich daar thuis voelen.
Brussel als herkenbare en dagelijks beleefde hoofdstad van Vlaanderen zou een steun betekenen voor de positie van het Nederlands in Europa en in de Wereld.

B.4. Vlaanderen heeft een grondwettelijke bevoegdheid in Brussel.

Vlaanderen is bevoegd voor persoonsgebonden materies in Brussel. Vlaanderen heeft bijgevolg de plicht een actieve politiek te voeren ten gunste van de Vlaamse inwoners van Brussel. Opdat die politiek zinvol zou zijn moet ze rekening houden met de speciale situatie van die Vlamingen in een grotendeels verfranste omgeving. De situatie van deze Vlamingen zomaar gelijkstellen met deze elders in Vlaanderen, zoals tot nu toe te veel gedaan werd, is niet zinvol en zal leiden tot het verder teruglopen van de Vlaamse aanwezigheid in Brussel. Er is integendeel een positieve discriminatie nodig van de Nederlandstaligen in Brussel, en deze kan alleen komen van de eigen Vlaamse gemeenschap.

B.5. Een belangrijke Vlaamse bevolking in Brussel is noodzakelijk, in het vooruitzicht van verdere institutionele hervormingen.

Bij vroegere institutionele hervormingen kregen de Brusselse Vlamingen een kwasi-pariteit in de Brusselse instellingen in ruil voor pariteit op federaal niveau.
De Vlamingen – niet de Franstaligen – stellen dat verdere institutionele hervormingen noodzakelijk zijn. De positie van de Vlaamse bewoners, maar ook van de Vlaamse instellingen in Brussel dreigt in het gedrang te komen indien er niet voldoende Vlaamse inwoners zijn te Brussel – en in feite ondervinden de Vlaams-Brusselse politici op dit ogenblik reeds sterke druk om steeds maar toe te geven aan de Franstaligen, en hun theoretisch gelijkwaardige bevoegdheden enkel uit te oefenen in het kader van een rampzalig pacificatiemodel.
Een belangrijk aantal Vlaamse inwoners is vereist om de Vlaamse gemeenschap in Brussel gestalte te geven. Op dit ogenblik is het aantal Vlaamse inwoners te klein om een blijvende en bloeiende Vlaamse gemeenschap in Brussel te garanderen. Er is een actieve politiek nodig om het aantal Vlaamse inwoners in Brussel te vermeerderen. Deze politiek mag in geen geval ten koste gaan van de Vlaamse aanwezigheid in de rand rond Brussel, want dit zou de verfransing rond Brussel nog verergeren.

C.1. Een voldoende Vlaamse aanwezigheid in Brussel.

Ons uitgangspunt is dat wij een welvarend Brussel wensen, doch een Brussel dat wij ook herkenbaar als een Nederlandse stad kunnen ervaren.

Om vanuit een dergelijke stad de Nederlandse cultuur uit te stralen – wat toch de rol van de Vlaamse hoofdstad moet zijn – moet Brussel op een voldoende sterke en voldoende talrijke Vlaamse bevolking kunnen steunen.

C.2. Vrijwaren van het Vlaams karakter van de streek rond Brussel.

De gemeenten rond Brussel behoren tot Vlaanderen. Vlaanderen moet ervoor zorgen dat die gemeenten Vlaams blijven en voldoende levenskrachtig zijn om te weerstaan aan de druk van Brussel. Vlaanderen moet een standvastige politiek voeren om alle gemeenten rond Brussel, ook de gemeenten met faciliteiten, hun Vlaams karakter te doen behouden. Er mag voor niemand twijfel over bestaan dat het Nederlands daar de belangrijkste taal is, ja de enige officiële taal, en dat wie daar wil wonen zich moet integreren in de Vlaamse gemeenschap. Daartoe moeten die gemeenten op zichzelf belangrijk en leefbaar zijn en niet zo maar een aanhangsel of een slaapstede van Brussel. Het Vlaamse gebied rond Brussel is een belangrijke economische en culturele groeipool en de Vlaamse politiek moet erop gericht zijn het Vlaamse karakter van deze streek te vrijwaren. Dat vereist de aanwezigheid van een voldoende talrijke Vlaamse bevolking, goede verbindingen met Vlaanderen en een actieve Vlaamse politiek ten gunste van het Vlaamse culturele leven. Het op peil houden van de Vlaamse bevolking rond Brussel mag niet gebeuren door immigratie uit Brussel, want dit zou de toestand van de Vlamingen in Brussel verder verzwakken.

C.3. Het uitbouwen van een Vlaams cultureel leven in en rond Brussel.

Vlaanderen moet investeren in een culturele politiek voor Brussel en Vlaams-Brabant. Zonder de rest van Vlaanderen te verwaarlozen moet er toch een extra inspanning worden gedaan voor Brussel. Dat is noodzakelijk om de Vlaamse aanwezigheid in Brussel te vrijwaren. Door een prominente aanwezigheid in Brussel krijgt de Nederlandse cultuur een kans op uitstraling in de wereld.
Niet alleen prestige-projecten, maar ook het Vlaams verenigingsleven moeten voldoende steun krijgen van de Vlaamse Gemeenschap.
Een geschikt instrument hiertoe is TV-Brussel, dat sterker moet worden uitgebouwd tot een instrument van vernederlandsing van Brussel.

D.a. Meteen te verwezenlijken :

D.a.1. Commissariaat voor Vlaamse Aanwezigheid in Brussel.

We vragen de oprichting van dit commissariaat dat als doel zou hebben het nodige studiewerk te verrichten, beleidsvoorstellen te formuleren en de publieke opinie te sensibiliseren. De Commissaris voor de Vlaamse aanwezigheid in Brussel moet een gezaghebbend persoon zijn die voldoende onafhankelijk staat ten overstaan van politieke partijen en drukkingsgroepen. Zijn opdracht moet van voldoende lange duur zijn om zijn taak te kunnen afwerken onafhankelijk van eventuele wijzigingen van de politieke macht. Hij moet beschikken over voldoende geld om zijn taak ten gronde te kunnen vervullen.

Hier kunnen maatregelen gestalte krijgen :
– om financiering van het Brussels Hoofdstedelijk gewest af te remmen, minstens zolang de taalwet niet wordt nageleefd.
– om gemeenschapsbevoegdheden te versterken.
In geen geval mag bevoegdheidsoverdracht gebeuren volgens artikel 65 en 66 van de Brusselwet (d.i. overdracht aan de VGC). Omgekeerd kan overdracht van bevoegdheden aan de COCOF wel worden aangemoedigd om de samenhang tussen Brussel en de rest van Vlaanderen te bevorderen : de Brusselse Vlamingen hebben lak aan een “zelfstandigheid”, nu hun politieke vertegenwoordigers steeds de gevangenen van de Franstaligen blijken. Bevoegdheden moeten dus zoveel mogelijk door de hele Vlaamse Gemeenschap worden uitgeoefend, wat de Brusselse politici zelf ook mogen verkondigen.

D.a.2. Vlaamse ombudsdienst voor taalwetnaleving.

We vragen de oprichting door de Vlaamse overheid van een ombudsdienst voor taalwetnaleving. Deze dienst moet het recht hebben overtredingen van de taalwetten op te sporen en waar nodig zelf op te treden, ook in rechte. Bij deze dienst moet iedereen terecht kunnen met klachten. Deze dienst moet de Vlaamse burgers die erom verzoeken juridische bijstand verlenen om hun rechten op taalgebied te kennen en af te dwingen. Deze dienst kan geïntegreerd worden in het Commissariaat voor de Vlaamse aanwezigheid in Brussel.

D.a.3. Uitbouwen van Vlaamse dienstverlening te Brussel inzake persoonsgebonden aangelegenheden.

We vragen het uitbouwen van deze eigen Vlaamse dienstverlening, ook op het gebied van gezondheid en welzijn.

De bicommunautaire instellingen in deze sector werken niet correct en alle pogingen om hierin verandering te brengen zijn mislukt, zoals nu ook erkend wordt in de adviesorganen van de eigen Brusselse ministeries. Het is evenwel essentieel – en onmiskenbaar – dat de Vlamingen in Brussel recht hebben op een volwaardige dienstverlening op alle terreinen.

Nu blijkt dat de bicommunautaire instellingen in deze sector dit niet kunnen verzekeren, menen wij dat Vlaanderen voor de uitbouw van meer unicommunautaire instellingen moet durven opteren. Beslissingen, zoals deze een paar jaar geleden, om nieuwe miljarden in bicommunautaire instellingen te pompen, zijn in de gegeven omstandigheden een vergissing en mogen niet worden herhaald. De Vlaamse regering moet voldoende druk uitoefenen op de Vlaamse gemeenschapscommissie om de financiering van de bicommunautaire instellingen te blokkeren waar de taalwet niet wordt nageleefd.

Zonder te wachten op de institutionele ontmanteling van de bicommunautaire sector moet de Vlaamse Gemeenschap een studie aanvatten van de kosten voor het uitbouwen van een volledig net van Vlaamse instelllingen en van de leefbaarheid van dergelijke instellingen.

We moeten zorgen voor een Vlaams verzorgingsmodel, waarbij wildgroei van intramurale en al te louter technische zorg vermeden wordt. Precies op de eerste lijn is er te Brussel reeds een behoorlijke uitbouw van voorzieningen waarmee kan worden samengewerkt om de verdere uitbouw efficiënt te plannen.

Deze eigen Vlaamse dienstverlening moet hoofdzakelijk, maar niet uitsluitend gericht zijn op de Vlaamse bevolking. Vlaanderen moet openbare diensten van hoge kwaliteit durven aanbieden aan de hele Brusselse bevolking, waarvan een belangrijk segment zich naar de ene of andere gemeenschap kan keren.

Tenslotte kan gedacht worden aan terugvordering van de gemeenten en O.C.M.W.’s voor wettelijk verplichte maar niet gerealiseerde Vlaamse dienstverlening : kinderopvang, bibliotheken, culturele centra (die tenslotte werden opgericht door de V.G.C.), gezondheidszorg,…e.d.m.

D.a.4. Een actieve migranten-politiek.

Ook in de toekomst zal een groot deel van de Brusselse bevolking bestaan uit migranten. De migranten zullen zich uiteindelijk moeten integreren in de plaatselijke gemeenschap en ze zullen kiezen volgens hun voordeel. De meerderheid van de migranten zal zich integreren in de dominante gemeenschap en dat is in Brussel de Franstalige gemeenschap. Een deel van de migranten heeft echter eerst contact met de Vlaamse gemeenschap of met Nederland en kan door een aangepaste politiek geïntegreerd worden in de Vlaamse gemeenschap.

Een actieve Vlaamse migranten-politiek moet de nadruk leggen op een intensief gebruik van het Nederlands. Alle ambtenaren en leraren moeten de te gebruiken technieken (inzet van niet-verbale communicatie, rustig herhalen zonder irritatie of vlucht in het Frans, enz. ) aanleren.

Een Vlaamse migrantenpolitiek moet als doel hebben migranten te integreren in de Vlaamse gemeenschap. Indien Vlaanderen zich defensief opstelt en zijn macht niet durft tonen is er weinig kans dat migranten belangstelling zullen hebben voor de Vlaamse gemeenschap. Vlaanderen heeft verder nog de mogelijkheid om een aantal migranten te integreren in de Vlaamse gemeenschap door middel van intense dienstverlening en van een efficiënte opvang op school. Ook het uitbouwen van een sterke Vlaamse rand rond Brussel is van groot belang om de verfransing van de migranten in en rond Brussel af te remmen.

Een grootschalig net voor kosteloze studie van het Nederlands dient te worden opgezet. Verder moeten alle buitenlanders, met name ook de E.E.G.-ambtenaren en al wie daaromheen wentelt, duidelijke informatie krijgen over Vlaanderen en zijn hoofdstad Brussel.
D.a.5. Vlaamse scholen in Brussel.

Zowel voor het behoud van de eigen Vlaamse bevolking in Brussel als voor de opvang van migranten is het behoud van een uitgebreid net van Vlaamse scholen in Brussel van essentieel belang. Het is van even groot belang dat die scholen werkelijk Nederlandstalig zouden blijven en dat de Vlaamse kinderen er in hun studie niet zouden worden gehinderd door de aanwezigheid van een te groot aantal Nederlandsonkundige leerlingen.

De Vlaamse scholen moeten zorgen voor een efficiënte opvang van alle leerlingen en ouders, ook de anderstaligen, maar dit moet uitsluitend gebeuren in het Nederlands en moet leiden tot integratie in de Vlaamse gemeenschap.

De ervaring leert dat, opdat een school werkelijk Nederlandstalig zou blijven en het onderwijs voor de Vlaamse leerlingen efficiënt zou blijven, een kwart anderstalige leerlingen het maximum is.

In scholen en wijken met een groot aantal anderstaligen moet het inrichten van een systeem van speciale overgangsklassen overwogen worden. Dergelijke overgangsklassen mogen enkel als doel hebben de leerlingen en hun ouders een voldoende kennis van het Nederlands bij te brengen zodat de leerlingen na hoogstens één jaar in staat zijn normaal Nederlandstalig onderwijs te volgen.

In geen geval mag, als gemakkelijkheidsoplossing, het contact met leerlingen of met de ouders in Vlaamse scholen in het Frans of enige andere vreemde taal gebeuren.

Indien een Vlaamse school in Brussel er niet in slaagt Nederlandstalig te blijven moet de gemeenschap rechtstreeks ingrijpen en bovenstaande regels doen toepassen. In elke Brusselse wijk moet Vlaams onderwijs aangeboden worden. Schoolbevolkingsnormen mogen hier niet blind worden toegepast.
Bij al deze maatregelen zal de inspectie een belangrijke rol moeten spelen.

Deze doelstellingen kunnen natuurlijk slechts gerealiseerd worden indien er voldoende Vlaamse kinderen in Brussel zijn. Het welslagen van een dergelijke schoolpolitiek hangt bijgevolg nauw samen met de maatregelen die moeten genomen worden om meer Vlamingen naar Brussel te brengen.

D.a.6. Het aantrekken en begeleiden van Vlaamse inwijkelingen in Brussel.

De Vlaamse bevolking van Brussel is niet talrijk genoeg om onze doel­stellingen te kunnen realiseren. Bovendien heeft dit als gevolg dat veel Vlamingen in Brussel zich in een vreemde omgeving voelen en ofwel verfransen, ofwel Brussel verlaten. Om deze vicieuze cirkel te doorbreken moeten we het aantal Vlamingen in Brussel vermeerderen. Op korte of halflange termijn is het enige middel daartoe de immigra­tie uit Vlaanderen.

Om de immigratie van Vlamingen naar Brussel te bevorderen moet de Vlaamse gemeenschap extra voordelen aanbieden aan Vlamin­gen die effectief in hun hoofdstad gaan wonen. Deze extra voordelen moeten voldoende belangrijk zijn om op te wegen tegen de nadelen die Vlamingen in Brussel ondervinden. De Vlaamse overheid kan deze voordelen in de eerste plaats aanbieden aan haar eigen ambtenaren en leraren. Deze extra voordelen kunnen bestaan uit een verhuispremie, een huurtoelage of een subsidie bij aankoop van een woning in Brussel. Hierbij moet er strikte voorwaarden gesteld worden die ervoor moeten zorgen dat die personen ook effectief in Brussel gaan wonen, er blijven wonen en hun gezin niet laten verfransen.
Gelijkaardige voordelen kunnen ook aangeboden worden aan andere Vlamingen, maar dit is wel wat moeilijker omdat elk vermoeden van discriminatie ten nadele van andere bevolkingsgroepen moet vermeden worden.
Het stimuleren van de Vlaamse immigratie in Brussel mag in geen geval leiden tot een vermindering van de Vlaamse bevolking in de rand rond Brussel. Dit zou de verfransingsdruk rond Brussel doen toenemen en zou uiteindelijk voor Vlaanderen meer nadelen hebben dan de potentiële voordelen in Brussel.
Als meer Vlamingen naar Brussel komen moet de Vlaamse overheid erover waken dat ze hun band met de Vlaamse gemeenschap bewaren en dat ze niet verfransen. Om dit te bereiken is het uitbouwen van Vlaamse dienstverlening in Brussel en het behoud van een volledig net van Vlaamse scholen in Brussel van groot belang. Ook moet gedacht worden aan mogelijkheden om de Vlamingen in Brussel te concentreren in bepaalde wijken, waar ze voldoende talrijk zouden zijn en zich niet vreemd zouden voelen.
De maatregel om voor gezinnen vanaf twee kinderen leningen tegen lage intrestvoet aan te bieden voor de aankoop van onroerend goed in tien Vlaamse steden moet ook in Brussel worden doorgevoerd.
Ook kunnen andere maatregelen om het pendelen in te dijken overwogen worden.

Het uitbouwen van Vlaamse ambtenaren- en lerarenwijken.

Het is wenselijk de haalbaarheid en de kostprijs van dit project verder te onderzoeken.
Vroegere voorstellen voor een Vlaams huisvestingsbeleid in Brussel zijn nooit van de grond gekomen om twee redenen :
* de Vlaamse gemeenschap heeft in Brussel geen rechtstreekse bevoegdheid inzake huisvesting
* bij het toekennen van woningen mag niet gediscrimineerd worden naar taal.
Beide moeilijkheden kunnen vermeden worden door een huisvestingsbeleid te voeren voor de ambtenaren en leraren die door de Vlaamse gemeenschap tewerkgesteld zijn in Brussel. Van de ambtenaren en leraren die er voor de Vlaamse gemeenschap werken, wonen er maar 2 à 4 % effectief in Brussel. Ambtenaren en leraren moeten aangemoedigd worden om in Brussel te gaan wonen.
De Vlaamse gemeenschap zou kunnen investeren in woningen voor haar ambtenaren en leraren in Brussel. Die woningen moeten geconcentreerd zijn in wijken die voldoende groot zijn om er een echte gemeenschap te creëren waar de Vlamingen zich kunnen thuis voelen.
Door het aanbieden van een ambtswoning aan Vlaamse ambtenaren en leraren zou een substantieel voordeel kunnen aangeboden worden aan degenen die in Brussel willen gaan wonen, zonder dat dit een discriminatie t.o.v. andere bevolkingsgroepen zou inhouden. Dit zou moeten gekoppeld zijn aan maatregelen die verzekeren dat die ambtenaren en leraren daar ook effectief gaan wonen en zo mogelijk blijven wonen als ze met pensioen gaan en dat ze zichzelf of hun familie niet laten verfransen.

D.a.7. Campagne ter bevordering van het gebruik van het Nederlands in Brussel.

Een strikte tweetaligheid in Brussel eisen kan slechts als zinvol worden ervaren indien de Vlamingen ook effectief gebruik maken van hun rechten. De Brusselse Vlamingen moeten zich dagelijks inspannen om, in een grotendeels vervreemde omgeving, Vlaams te blijven. Dit kunnen ze slechts volhouden indien ze steun ondervinden van de honderdduizenden Vlamingen die dagelijks naar Brussel komen. Daarom is het van groot belang dat alle Vlamingen en Nederlanders in Brussel zoveel mogelijk het Nederlands zouden gebruiken.
Om dit te bevorderen is een intensieve campagne door de Vlaamse overheid noodzakelijk gedurende vele jaren.
Bij ambtenaren en leraren kan dit onder meer geschieden door middel van cursussen over de toestand in Brussel en de correcte manier om zich daar als Vlaming of Nederlander te gedragen. Van ambtenaren en leraren moet natuurlijk geëist worden dat ze in de uitoefening van hun ambt zich strikt zouden houden aan wat de taalwet voorschrijft. Ook in hun privé-leven mag van Vlaamse ambtenaren en leraren verwacht worden dat ze zich als Vlaming gedragen.
Ten overstaan van het grote publiek moet een campagne gevoerd worden via advertenties, artikels en programma’s in de media.

D.a.8. Campagne ter bevordering van het Nederlands in het Brusselse straatbeeld.

Opdat Brussel zou worden ervaren als een tweetalige stad en als de hoofdstad van Vlaanderen is de aanwezigheid van het Nederlands in het straatbeeld van groot belang. Het Nederlands moet niet alleen aanwezig zijn op officiële aanduidingen zoals straatnamen en wegwijzers, maar ook op advertenties en commerciële instellingen. Dit kan bevorderd worden door regelmatig informatie te verstrekken aan handelaars, nijveraars, advertentiekantoren en buitenlandse ondernemingen. Er zou een Vlaamse dienst kunnen opgericht worden die hulp biedt bij het opstellen van correcte Nederlandstalige aankondigingen en reclameboodschappen. In het huidige Brusselse gewest kan een stimulans voor tweetaligheid in de private dienstensector voorzien worden.
Verder moet erop worden toegezien dat de Brusselse handelsattachés in het buitenland behoorlijk Nederlands kennen, het correct gebruiken, en het gebruik ervan bekend maken.
Het belang van de symboliek die uitgaat van de Vlaamse instellingen en gezagsdragers mag niet worden onderschat. Steeds Nederlands spreken, met name in de media, doch ook in relatie met Franstaligen is hier een eerste vereiste.
Ook van de Vlaamse ambtenaren moet naleving van deze regels worden geëist in hun contacten naar buiten en in commissies met anderstaligen.

D.a.9. Efficiënter gebruik van TV-Brussel ter bevordering van het Ne­derlands in Brussel.

We verheugen ons over het bestaan van een eigen Vlaamse TV in Brussel en we begrijpen dat de redactie over een zekere redactionele vrijheid moet beschikken. Toch menen we dat de Vlaamse gemeenschap mag eisen dat de Vlaamse TV-zender in Brussel in de eerste plaats aandacht moet hebben voor de Brussel­se Vlamingen en de Vlaamse aanwezigheid in Brussel moet tonen. Interviews met Brusselaars gebeuren nu te vaak in het Frans, hetgeen de indruk moet geven dat er bij het gewone volk moeilijk iemand kan gevonden worden die Nederlands kent. Brusselse politici zouden systematisch in het Nederlands moeten ondervraagd worden. Echte Vlaamse gebeurtenissen in Brussel krijgen in het nieuws weinig aandacht of worden zelfs gemeden. Dit geeft een onjuist beeld van Brussel en schaadt de belangen van de Vlaamse gemeenschap.

D.a.10. Uitbouwen van verkeersinfrastructuur in functie van de Vlaamse belangen.

Goede verbindingswegen tussen Vlaanderen en Brussel zijn van groot belang voor de economische en culturele bloei van zowel Vlaanderen als Brussel. Voor Vlaanderen is hieraan het nadeel verbonden dat Brussel zich langs dezelfde wegen uitbreidt met daarbij de verstedelijking en verfransing van Vlaamse gemeenten. In het verleden werden de weg- en spoorverbindingen steeds gepland in functie van de Brusselse belangen. Vermits de verkeersproblemen in de laatste jaren steeds erger werden zullen in een nabije toekomst nieuwe en belangrijke investeringen in de verkeersinfrastructuur naar en rond Brussel noodzakelijk zijn. In deze planning moet Vlaamse overheid mede beslissen en dit moet in de eerste plaats gebeuren in functie van de Vlaamse belangen.
Naast de centripetale wegen naar Brussel moeten de verbindingen tussen de Vlaamse gemeenten rond Brussel verbeterd worden. Dit kan bijdragen tot het uitbouwen van een sterke Vlaamse rand rond Brussel, die niet meer voor alle diensten aangewezen is op Brussel, maar op zichzelf sterk genoeg is om te weerstaan aan de verfransingsdruk.
De eis van het Brusselse gewest tot het uitbouwen van een gewestelijk spoorwegnet is een zware bedreiging voor Vlaanderen. Indien dit plan uitgevoerd wordt zal het grote nadelen hebben voor Vlaanderen. Door een dergelijk voorstadsnet wordt Brussel functioneel uitgebreid tot 25 km buiten haar grenzen en zullen ver in Vlaanderen nieuwe slaapsteden ontstaan die haarden van verfransing dreigen te zijn. De beste manier voor Vlaanderen om dit gevaar op te vangen is zelf iets beter voor te stellen en te realiseren. Een verbinding van de Vlaamse centra rond Brussel kan een oplossing bieden.
Misschien nog beter ware een Vlaams gewestelijk spoorwegnet dat Vlaamse steden als Leuven, Vilvoorde, Mechelen, Dendermonde, Aalst, Ninove en Halle met elkaar zou verbinden via de rand rond Brussel.

D.a.11. Een betere ontvangst van de Nederlandstalige radio-zenders.

Op bepaalde plaatsen te Brussel is het onmogelijk behoorlijk de belangrijkste Vlaamse en Nederlandse radio-zenders te ontvangen. Hier moeten zonder verwijl de nodige technische investeringen gedaan worden.

D.a.12. Uitbouwen van Telenet-Vlaanderen in Brussel.

In het licht van al wat gezegd werd is het onontbeerlijk dat Telenet-Vlaanderen ook Brussel volledig zou bestrijken. Is het denkbaar dat de Vlaamse regering en het Vlaamse parlement voor telecommunicatie op andere instanties aangewezen zijn ?

D.a.13. Een begin van eigen fiscaliteit.

Nu het kijk- en luistergeld ter discussie staat, moeten de inwoners van Brussel de gelegenheid krijgen om, naar eigen keuze, te betalen aan de Vlaamse of de Franstalige gemeenschap, elk volgens hun eigen tarieven.
Dit zou ondermeer verhinderen dat de globale belastingdruk stijgt wanneer een bepaalde gemeenschap sommige uitgaven via belastingen wil financieren. Ook responsabilisering wordt erdoor bevorderd, wat opnieuw kan bijdragen tot verlaging van de belastingdruk.

D.a.14. Een betere financiering van de Vlaamse Gemeenschapscommissie.

Het OVV vraagt een betere financiering van de Vlaamse Gemeenschapscommissie door de Vlaamse Gemeenschap, om haar de middelen te bezorgen voor een volwaardige dienstverlening.
Het OVV wenst dat de subsidies die nu door de Federale Overheid worden toegewezen aan het Brussels Gewest en aan de Stad Brussel om hun hoofdstedelijke taken te kunnen uitvoeren, voortaan worden toegewezen aan de beide Gemeenschapscommissies, daar het de taak is van het Brussels hoofdstedelijk Gewest en van de Stad Brussel te zorgen voor de harmonieuze samenleving van de beide gemeenschappen. Deze subsidies moeten aan elke Gemeenschapscommissie worden toegewezen in verhouding tot de inbreng van elk van beide gemeenschappen in de belastingsopbrengst.
Het OVV vraagt de wijziging van de gemeentewet en van de wet op de OCMW’s waarbij de uitoefening van de persoonsgebonden materies door de gemeenten, in overeenstemming met de verwezenlijkte staatshervorming, wordt overgeheveld naar de Gemeenschapscommissies. Het beheer van de bicommunautaire instellingen wordt dan toevertrouwd aan de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie.

D.b. Na institutionele hervorming :

1. Sociale zekerheid.
2. Aanpassing van de gemeentelijke instellingen, en eventueel overheveling van sommige instellingen – ondermeer de O.C.M.W.’s – en bevoegdheden naar de respectieve gemeenschapscommissies.
3. Overheveling van de bevoegdheid voor huisvesting naar de gemeenschappen.
4. Splitsing van het kiesarrondissement Brussel-Halle-Vilvoorde.
5. Afschaffen van de taalfaciliteiten rond Brussel.
Uitbouwen van Vlaamse dienstverlening in Brussel inzake welzijn en gezondheid.

Het Overlegcentrum van Vlaamse Verenigingen vraagt de verdere uitbouw van eigen Vlaamse voorzieningen inzake welzijn en gezondheid. De Vlaamse gemeenschap moet de bevoegdheden die ze nu reeds heeft hiervoor maximaal gebruiken, maar het is duidelijk dat dat niet zal volstaan om een efficiënte politiek te kunnen voeren.

Er zijn twee grote lacunes in de Vlaamse bevoegdheden op dit gebied :

1. welzijnszorg gebeurt voor een groot deel via de gemeenten en de O.C.M.W.’s en daar heeft de Vlaamse gemeenschap geen gegarandeerde bevoegdheid of inspraak. Wat Vlaanderen nu kan doen via de VGC gebeurt in ongelijke concurrentie met de gemeenten en O.C.M.W.’s, die dichter bij de hulpbehoevende bevolking staan.

2. Voor de gezondheidszorg hebben de gemeenschappen wel een grondwettelijke bevoegdheid, maar de werkelijke macht en vooral de middelen, namelijk de sociale zekerheid, zijn nog steeds federaal.

Om een efficiënt beleid te kunnen voeren voor de Vlamingen in Brussel, zijn de eisen voor communautarisering van de sociale zekerheid en voor een gegarandeerde Vlaamse inspraak op het gemeentelijk vlak van primordiaal belang.

Voor welzijnszorg moet Vlaanderen streven naar een volledig aanbod van unicommunautaire instellingen die toegankelijk en bereikbaar zijn voor alle inwoners van Brussel. Hierbij moet intens samengewerkt worden met instellingen in het Vlaamse gewest. De stelling van het beleidsplan Brussel dat er voor Vlaamse gemeenschapsmateries geen grens bestaat tussen Brussel en de rest van Vlanderen moet hierbij consequent toegepast worden.

De Vlaamse voorzieningen moeten open staan voor anderstaligen. Ze mogen in Brussel twee- of meertalig werken naar de hulpbehoevende personen toe, maar dit mag het Vlaamse karakter van die instellingen niet in het gedrang brengen. Het openstellen van Vlaamse welzijnszorg voor andertaligen moet uiteindelijk de positie van de Vlaamse gemeenschap in Brussel versterken en de integratie van anderstaligen in de Vlaamse gemeenschap bevorderen. Dit kan natuurlijk niet als eis gesteld worden bij het verlenen van hulp, maar het resultaat moet permanent geëvalueerd worden en indien dit uiteindelijk doel niet gediend wordt, moet de politiek bijgestuurd worden.
Voor gezondheidszorg moet de Vlaamse gemeenschap streven naar een volledig aanbod van Vlaamse gezondheidszorg in Brussel op alle echelons en in voldoende aantal om toegankelijk en bereikbaar te zijn voor alle Vlaamse inwoners van Brussel. Voor de ziekenhuizen zijn minstens drie monocommunautaire Vlaamse instellingen nodig om voldoende bereikbaar te zijn. Deze instellingen moeten een geneeskunde bieden die minstens even hoog staat als in de Franstalige instellingen. Samenwerking met ziekenhuizen uit de rest van Vlaanderen moet mogelijk zijn vermits er voor Vlaamse persoonsgebonden materies geen grens mag bestaan tussen Brussel en de rest van Vlaanderen. Een verzuild aanbod van ziekenhuisvoorzieningen kan een hinderpaal zijn voor een voldoende Vlaams aanbod in Brussel. Dat zuilensysteem moet in een Vlaams gezondheidsbeleid voor Brussel afgebouwd worden.

In het kader van de huidige instellingen en bevoegdheden zou de Vlaamse gemeenschap dit aanbod van Vlaamse gezondheidszorg in Brussel kunnen inrichten. Dit zal nog beter mogelijk zijn en ook beter passen in een Vlaams gezondheidsbeleid na de communautarisering van de gezondheidszorg.

Het uitbouwen van een net van Vlaamse ziekenhuizen in Brussel mag niet gebeuren ten nadele van de ziekenhuizen in de Vlaamse gordel rond Brussel. Er moet daarom uitgegaan worden van een globale planning van Vlaamse ziekenhuizen voor Brussel en omgeving. Zoals hoger reeds gezegd is er nood aan drie Vlaamse ziekenhuizen in Brussel om een volledig aanbod te kunnen verzekeren. Daarbij bestaan er nog geneeskundige centra in Halle, Vilvoorde en Asse. Indien we ervan uitgaan dat Vlaanderen ziekenhuiszorg zou aanbieden voor ongeveer 300.000 inwoners van Brussel en voor de 500.000 inwoners van het arrondissement Halle-Vilvoorde, komen we tot 6 ziekenhuizen voor een bevolking van 800.000. Het is natuurlijk niet nodig of wenselijk dat elk van deze ziekenhuizen elke vorm van spitsgeneeskunde zou aanbieden. Er moeten samenwerkingsverbanden komen tussen die Vlaamse ziekenhuizen zodat heel dat gebied goede toegang krijgt tot hoogstaande geneeskunde. Hierin moet natuurlijk ook de samenwerking met universitaire ziekenhuizen elders in Vlaanderen voorzien worden.

Ook wanneer we op korte termijn eigen Vlaamse ziekenhuizen in Brussel inplanten, zal een aantal Brusselse ziekenhuizen nog lange tijd bicommunautair blijven. Een voldoende Vlaamse aanwezigheid in de bicommunautaire ziekenhuizen blijft belangrijk, maar Vlaams geld investeren in bicommunautaire instellingen is enkel verantwoord indien de Vlaamse gemeenschap daar werkelijk inspraak heeft en over efficiënte middelen beschikt om de tweetaligheid af te dwingen. Bicommunautaire instellingen zijn voor Vlaanderen enkel aanvaardbaar indien die instellingen werkelijk tweetalig zijn en indien al het personeel dat met de patiënten in contact komt, tweetalig is. Om de tweetaligheid te kunnen afdwingen moet er een gegarandeerde paritaire Vlaamse aanwezigheid zijn in het beheer en moet de Vlaamse gemeenschap mee beslissen over de financiering van die instellingen.

Het bouwen of overnemen van nog twee Vlaamse ziekenhuizen in Brussel mag niet op de lange baan geschoven worden. Daarom vragen we dat de Vlaamse overheid zonder uitstel een studie zou uitvoeren of laten uitvoeren van de kosten en de rentabiliteit van nog twee Vlaamse ziekenhuizen in Brussel. Er zou ook onmiddellijk een marktstudie moeten gedaan worden om de optimale inplanting van die ziekenhuizen te bepalen.

Ook voor de extramurale gezondheidszorg moet Vlaanderen zorgen voor een voldoende Vlaams aanbod in Brussel. In het kader van het huidige federaal gezondheidsbeleid zijn de mogelijkheden beperkt, maar er bestaan wel mogelijkheden binnen de bevoegdheden van de Vlaamse gemeenschap inzake gezondheidsbeleid. Om op dit vlak efficiënte maatregelen te kunnen nemen is de communautarisering van de gezondheidszorg noodzakelijk. In ons systeem van vrije geneeskunde is het aanbod van extramurale gezondheidszorg vrij en wordt in principe niet geregeld door de overheid. Toch beschikt de overheid via de sociale zekerheid over middelen om het aanbod te moduleren. Er moet onderzocht worden in hoever Vlaanderen het aanbod van gezondheidszorg, zowel door huisartsen als door specialisten, in Brussel kan bevorderen. Het bestaan van de Vlaamse Wachtdienst voor huisartsen heeft een gunstige invloed op het aanbod van Vlaamse gezondheidszorg op het eerste echelon. Voor specialisten bestaat een dergelijke organisatie niet en is ook veel moeilijker in te richten omdat de specialisten verdeeld zijn over verschillende specialismen met weinig gemeenschappelijke belangen.

Er moet onderzocht worden op welke manier de Vlaamse overheid initiatieven kan nemen om de vestiging van Vlaamse artsen, zowel huisartsen als specialisten, in Brussel te bevorderen. Het aanbod van gezondheidszorg kan gemoduleerd worden door middel van gunstiger of minder gunstige tarieven of vormen van terugbetaling. Deze mogelijkheid zal de Vlaamse gemeenschap slechts hebben na de communautarisering van de sociale zekerheid. Het stimuleren van het aanbod van Vlaamse gezondheidszorg in Brussel door middel van preferentiële terugbetalingstarieven zou door de Franstaligen natuurlijk aangevallen worden en als discriminatoir bestempeld worden. Dat gebeurt nu ook als Vlaanderen poogt een eigen politiek te voeren, bvb op het gebied van tewerkstelling. Preferentiële terubetalingstarieven werden nochtans herhaaldelijk gebruikt om het aanbod van gezondheidszorg te moduleren of bij te sturen. Het uitvoeren van prestaties van klinische biologie en medische beeldvorming door geneesheren met een aanverwant specialisme werd over de jaren steeds meer ontmoedigd en het voornaamste middel hiervoor was een minder gunstige terugbetaling. Er worden door het R.I.Z.I.V. gezondheidscentra gesteund waar eerstelijnsgeneeskunde gegeven wordt tegen forfaitaire betaling. Op die manier wordt de mogelijkheid van een meer gesocialiseerde geneeskunde onderzocht en gestimuleerd. Het is dus niet ondenkbaar dat de Vlaamse overheid het aanbod van geneeskundige zorgen op een gelijkaardige manier zou stimuleren, waar dit aanbod onvoldoende is, en dit is zeker het geval voor het aanbod van Vlaamse gezondheidszorg in Brussel.

Zolang Vlaanderen geen zeggenschap heeft over de sociale zekerheid kunnen uitsluitend andere middelen gebruikt worden om het aanbod van Vlaamse gezondheidszorg in Brussel te stimuleren. Dit kan gebeuren door andere substantiële voordelen aan te bieden aan Vlaamse geneesheren die zich in Brussel vestigen. Het aanbieden van voordelen aan individuele geneesheren zou kunnen aanleiding geven tot discriminatie, maar moet niet a priori verworpen worden. Rekening houdend met de duurdere huisvesting in Brussel dan in Vlaanderen, ware het niet discriminatoir indien aan Vlaamse geneesheren die zich in Brussel vestigen een extra toelage voor de praktijkinrichting en huisvesting zou gegeven worden, bvb onder vorm van een renteloze lening.

In de toekomst zal de geneeskunde ongetwijfeld meer en meer evolueren naar groepsgeneeskunde. Het is dan ook logisch dat de Vlaamse gemeenschap hierop zou inspelen om op een toekomstgerichte manier het aanbod van Vlaamse geneeskunde in Brussel te stimuleren. De Vlaamse gemeenschap zou steun kunnen verlenen of zelf initiatieven kunnen nemen voor het oprichten van een aantal Vlaamse gezondheidscentra in Brussel. In deze centra zouden Vlaamse huisartsen en specialisten kunnen samenwerken. Dit kan gebeuren zowel in het kader van vrije geneeskunde als in een meer gesocialiseerde geneeskunde. Hierbij zou de Vlaamse gemeenschap financiële steun kunnen geven bij de oprichting van die instellingen en logistieke steun bij de werking ervan.

Behalve de curatieve gezondheidszorg is welzijnszorg grotendeels een gemeenschapsbevoegdheid. Op dit vlak heeft Vlaanderen dus nu reeds de mogelijkheid om Vlaamse dienstverlening in Brussel in te richten of te subsidiëren.

Voor gezins- en bejaardenzorg is een groter Vlaams aanbod in Brussel noodzakelijk. Vermits er in Brussel een overwicht is van Franstalige diensten zullen hulpbehoevenden door hun omgeving of door de gemeentelijke diensten meestal geleid worden naar de dichtsbijzijnde Franstalige of zogezegd tweetalige dienst. Om tegen die achterstand op te tornen moeten de Vlaamse dienstencentra duidelijk en in voldoende aantal aanwezig zijn en moet er een campagne gevoerd worden om hun diensten kenbaar te maken bij de bevolking. Hulpbehoevende bejaarden zijn uiteraard weinig mobiel. Om toegankelijk te zijn voor de bejaarden moeten de dienstencentra dichtbij liggen. Er moeten dus Vlaamse dienstencentra zijn in elke wijk, net zoals er in elke wijk Vlaamse scholen zijn. Vermits de Vlaamse scholen, dankzij een jarenlange campagne, nu goed gekend en prominent aanwezig zijn in Brussel, kan een samenwerking met Vlaamse scholen nuttig zijn om andere Vlaamse diensten in te planten en kenbaar te maken. De toegang tot de Vlaamse dienstencentra in Brussel moet aantrekkelijker gemaakt worden. Waar nodig moeten de criteria voor subsidiëring van Vlaamse diensten in Brussel soepeler zijn dan in de rest van Vlaanderen.

Er moet in Brussel een volledig net van Vlaamse rusthuizen en dagverzorgingscentra uitgebouwd worden. In het beleidsplan Brussel van de Vlaamse regering staat dat er in Brussel problemen bestaan voor erkenning en subsidiëring van Vlaamse instellingen wegens het ontbreken van kansen tot samenwerking met andere Vlaamse instellingen. Dit is wellicht te verklaren doordat een deel van de subsidiëring nu nog verloopt langs de federale sociale zekerheid. Een communautarisering van de sociale zekerheid en het vormen van homogene bevoegdheidspaketten is dringend noodzakelijk. Dat voor het bekomen van de erkenning Vlaamse diensten zouden moeten samenwerken met bicommunautaire instellingen is onlogisch en niet wenselijk. Een dergelijke samenwerking zal er ongetwijfeld toe leiden dat Vlaamse bejaarden voor bepaalde zorgen toch weer zullen terechtkomen bij Nederlands-onkundig personeel van een bicommmunautaire instelling. Door het uitbouwen van voldoende Vlaamse rusthuizen in Brussel zou dit probleem van samenwerking vanzelf opgelost geraken. Samenwerkingsverbanden van Vlaamse rusthuizen en verzorgingscentra moeten tot stand komen met andere Vlaamse instellingen in en buiten Brussel. Voor Vlaamse persoonsgebonden materies mag er geen grens bestaan tussen Brussel en de rest van Vlaanderen.

Ook voor gehandicaptenzorg zijn de Vlaamse diensten in Brussel onvoldoende aanwezig en onvoldoende gekend. Zoals voor ouderenzorg moet een bijzondere inspanning gedaan worden door de Vlaamse gemeenschap om voldoende voorzieningen voor alle Vlaamse gehandicapten in Brussel beschikbaar te stellen en kenbaar te maken aan de bevolking. Administratieve belemmeringen voor Nederlandstalige hulp aan Vlaamse gehandicapten moeten opgeruimd worden. Samenwerkings-akkoorden moeten bij voorkeur afgesloten worden met Vlaamse instellingen in en buiten Brussel.

Welzijnszorg voor migranten : Dit gedeelte kan niet behandeld worden buiten het algemeen kader van de problematiek rond integratie van migranten. Daarom wordt er in deze-nota niet nader op ingegaan.
Een Vlaamse scholenpolitiek voor Brussel.

De Vlaamse bevolking van Brussel is zo ver gedaald dat het behoud van een leefbare Vlaamse gemeenschap ernstig bedreigd wordt. Om verschillende redenen verlaten Vlamingen Brussel en komen weinig nieuwe Vlamingen in Brussel wonen.

Het is dus noodzakelijk het aantal Vlamingen of de Nederlandstalige gemeenschap in Brussel te verhogen en een van de middelen daartoe is de verfransing tegengaan. De andere middelen zijn Vlaamse inwijking en geboorten van Vlaamse kinderen. In het tegengaan van de verfransing spelen de scholen een essentiële rol. Vandaar de noodzaak om in alle wijken van Brussel een voldoende aanbod van Nederlandstalige scholen in stand te houden.

Een voldoende aanbod van Nederlandstalige scholen betekent dat in elke wijk van Brussel de ouders een reële keuzemogelijkheid moeten hebben om hun kinderen naar een goede Nederlandstalige school te sturen. Voor het kleuter- en basisonderwijs moet die school relatief dicht bij hun woonplaats liggen. Voor het middelbaar onderwijs is een grotere verplaatsing aanvaardbaar en is het van groter belang dat de Nederlandstalige instellingen zouden geconcentreerd zijn in voldoende grote entiteiten om een goede kwalitieit en een ruim aanbod van onderwijs te kunnen bieden.

Opdat die Nederlandstalige scholen het vooropgestelde doel, namelijk het behoud van een leefbare Vlaamse gemeenschap in Brussel, zouden dienen, moeten deze Nederlandstalige scholen hun Nederlandstalig karakter vrijwaren, ook als de omgeving en de leerlingen grotendeels anderstalig zijn. Deze doelstelling is belangrijk genoeg om er de nodige financiële middelen voor vrij te maken.

Heel wat Nederlandstalige scholen in Brussel leiden sinds tientallen jaren een moeilijk bestaan en hebben moeten vechten voor hun voortbestaan. Tot nu toe zijn ze daar relatief goed in geslaagd : in het kleuter- en basisonderwijs is het aantal leerlingen op 25 jaar verdubbeld, niettegenstaande een achteruitgang van de Vlaamse bevolking ; in het middelbaar onderwijs is het aantal leerlingen gedaald, doch lang niet in verhouding tot de vermindering van de Vlaamse bevolking. Er bestaat een uitgebreid aanbod van hoogstaand Nederlandstalig hoger onderwijs in Brussel.
De keerzijde van dit succes is het groeiend aantal Franstalige en anderstalige leerlingen in de Nederlandstalige scholen, waardoor hun Nederlandstalig karakter bedreigd wordt. De mate waarin de Nederlandstalige scholen erin geslaagd zijn hun anderstalige leerlingen te integreren in de Vlaamse gemeenschap is ongelijk.

C.1. Aantrekken van voldoende leerlingen.

Op dit vlak hebben het beleid en de promotiecampagnes een goed resultaat bereikt en we mogen dus aannemen dat in het verleden een goed beleid gevoerd werd. Dit betekent nog niet dat dit beleid ook goed is voor de toekomst en niet hoeft aangevuld te worden.

De toestand is grondig veranderd. Het vorige beleid werd ontworpen toen nog ongeveer de helft van de Brusselse bevolking Nederlands of een Vlaams dialect sprak en de bevolking op grote schaal verfranst werd door het Franstalig onderwijs. Toen was er ook nog een inwijking uit Vlaanderen en werden veel Vlaamse inwijkelingen op een of twee generaties verfranst. De Nederlandstalige scholenpolitiek heeft die verfransing in grote mate vertraagd, maar niet gestopt.

C.2. Aanbieden van Nederlandstalig onderwijs in alle wijken van Brussel.

Tot nu toe is dat vrij goed geslaagd. Waar rationalisatie noodzakelijk wordt omwille van te hoge kosten of te weinig leerlingen, is het enkel verantwoord dat Nederlandstalige scholen zouden verdwijnen indien er andere Nederlandstalige scholen bestaan binnen een redelijke afstand. Om dit te kunnen realiseren moet samenwerking tussen de verschillende Nederlandstalige scholen aangemoedigd worden. Samenwerking over de grenzen van het Brussel Hoofdstedelijk Gewest of tussen scholen van een verschillend net mag op termijn niet uitgesloten worden.

Voor het middelbaar onderwijs mag het aanbod beperkter zijn wat de locaties betreft, maar moet voldoende breed zijn wat de studierichtingen betreft. Dit aanbod moet minstens even rijk zijn als het Franstalige aanbod. Ook hier is samenwerking op vele vlakken noodzakelijk.

Wegens het belang van het middelbaar onderwijs voor de vorming van de taalkennis en dus voor de integratie in de Vlaamse gemeenschap, moet een extra inspanning gedaan worden om de doorstroming van anderstalige leerlingen naar het Nederlandstalig middelbaar onderwijs te bevorderen.

C.3. Aangepast onderwijs voor anderstalige leerlingen.

Een meerderheid van de leerlingen in de Nederlandstalige scholen komt uit taalgemengde of anderstalige gezinnen, zeker in het basisonderwijs. De ouders hebben gekozen voor een Nederlandstalige school omwille van de kwaliteit van het onderwijs. De aanwezigheid van veel anderstalige leerlingen kan een bedreiging zijn voor de kwaliteit van de school en dus voor het voortbestaan zelf van de school. De grote uitdaging zal erin bestaan optimaal onderwijs te verschaffen zowel aan de Vlaamse als aan de anderstalige leerlingen. Het ware onverantwoord de kwaliteit van het onderwijs voor de Vlaamse kinderen op te offeren omwille van een meerderheid anderstalige leerlingen. Dit zou deze Vlaamse leerlingen en hun ouders uit Brussel verdrijven. Een oplossing ligt wellicht in het creëren van afzonderlijke overgangsklassen voor anderstalige leerlingen ofwel in het geven van extra lessen aan anderstalige leerlingen. Er bestaan nu reeds mogelijkheden : in het kleuter- lager onderwijs zijn 30 logopedisten werkzaam die anderstaligen helpen bij het verwerven van het Nederlands ; in het middelbaar onderwijs is een onthaalklas voorzien voor Nederlandsonkundige nieuwe instromers. De experimenten die nu reeds bestaan moeten geëvalueerd en desgevallend uitgebreid of aangepast worden.

C.4. Integratie van de ouders in de Vlaamse gemeenschap bevorderen.

Het integreren van anderstalige leerlingen in de Vlaamse gemeenschap is niet mogelijk indien er bij de ouders geen minimum aan integratie in dezelfde gemeenschap bestaat. Voor buitenhuis werkende ouders moet het mogelijk zijn de kennis van het Nederlands en een minimum van interesse voor de Nederlandse cultuur en van integratie in de Vlaamse gemeenschap te bekomen via hun werkkring. Voor thuiswerkende ouders kan dit gebeuren via de school van hun kinderen. Er bestaan reeds meerdere initiatieven terzake. Deze experimenten moeten geëvalueerd en desgevallend uitgebreid of aangepast worden.

C.5. Integratie van de Nederlandstalige scholen in centra van Vlaams dienstbetoon.

Het is weinig waarschijnlijk dat wij de interesse van de Franstaligen en migranten voor de Vlaamse gemeenschap en voor de Nederlandse cultuur zullen kunnen opwekken met zuiver culturele argumenten. Hieraan zullen praktische en financiële voordelen moeten verbonden worden en dat kan door het oprichten van centra voor Vlaams dienstbetoon. Die centra zouden kunnen samenwerken met een scholengemeenschap om zo de doelgroep gemakkelijker te bereiken. In deze centra zouden er consultaties kunnen zijn voor kinderwelzijn, geestelijke gezondheidszorg, preventieve en curatieve geneeskunde, sociale hulp, arbeidsbemiddeling, etc. Administratieve moeilijkheden die een dergelijke samenwerking hinderen, moeten opgeruimd worden.

C.6. De aangroei van de Vlaamse bevolking in Brussel bevorderen.

Het behoud van Nederlandstalige scholen is op middellange termijn niet mogelijk indien er geen Vlaamse kinderen zijn. Gezien het lage geboortecijfer in Vlaanderen moeten we voorzien dat de Nederlandstalige scholen in Brussel nog gedurende vele jaren zullen moeten voortbestaan met een meerderheid aan anderstalige leerlingen. Dergelijke scholen in stand houden is slechts verantwoord indien een toename van de Vlaamse bevolking op middellange termijn kan in het vooruitzicht gesteld worden. Hopen op een belangrijke immigratie uit Vlaanderen of op een massale overloop van Franstaligen en migranten om de Vlaamse gemeenschap in stand te houden is totaal onrealistisch.

D.1. Aangepaste schoolnormen.

In 1984 werden de “aangepaste Brusselse normen” voor het lager onderwijs vervangen door een specifiek Brussels lestijdenpakket. Dit betekent dat een school in Brussel voor een kleiner aantal leerlingen een groter aantal lestijden en dus een groter aantal lerarenambten toegewezen krijgt dan in andere Vlaamse gemeenten. Het aantal extra ambten is evenwel beperkt. Dit zou moeten uitgebreid worden zodat er nog meer ambten kunnen toegewezen worden als er meer leerlingen zijn.
Ook voor het middelbaar onderwijs bestaan er in Brussel aangepaste normen en worden er extra lestijden per leerling toegewezen. Bovendien bestaan er voor Brussel minder strenge normen voor de rationalisatie van het middelbaar onderwijs.
De minimum normen om klassen te mogen behouden zouden in Brussel soepel moeten toegepast worden : de noodzaak om een volledig aanbod van Nederlandstalig onderwijs in Brussel in stand te houden moet voorrang krijgen op een strikte toepassing van de schoolnormen.

D.2. Extra taallessen voor anderstaligen.

Voor de leerlingen met een achterstand op gebied van kennis van het Nederlands zouden extra lessen moeten gegeven worden zodat ze kunnen volgen zonder het peil van het onderwijs voor de Nederlandstalige kinderen te verlagen.
Er bestaan reeds verschillende intiatieven terzake : voor allochtone leerlingen bestaat reeds het “Onderwijsvoorrangsbeleid”, waarbij extra lestijden worden toegevoegd op basis van het aantal doelgroepleerlingen in de school. Er bestaat ook “zorgverbreding” in de derde kleuterklas en in het eerste leerjaar, waardoor scholen een extra leerkracht kunnen krijgen. In het project “Taalvaart” staan 30 logopedisten ter beschikking om in de scholen in kleine groepjes de taalvaardigheid van de leerlingen te stimuleren.
Deze initiatieven zijn lovenswaardig en moeten verder geëvalueerd en desgevallend uitgebreid worden.
Deze extra inspanningen zijn tot nu toe beperkt tot de integratie van allochtone leerlingen. In veel Nederlandstalige scholen in Brussel zijn er een groot aantal Franstalige leerlingen van Belgische oorsprong. Deze scholen kunnen tot nu toe niet genieten van deze programma’s ter bevordering van de integratie. Deze zouden moeten uitgebreid worden tot alle scholen met een groot aantal Franstalige of anderstalige leerlingen.

D.3. Overgangsklassen voor anderstaligen.

Voor leerlingen met een belangrijke achterstand op gebied van kennis van het Nederlands zouden overgangsklassen moeten gemaakt worden zodat ze met één of ten hoogste twee extra jaren in staat zijn het normaal Nederlandstalig onderwijs verder te volgen. Dergelijke klassen bestaan reeds in een aantal Brusselse scholen als “onthaalklas voor anderstalige nieuwkomers”.
De onthaalklassen kunnen tot nu toe uitsluitend ingericht worden voor allochtone leerlingen. Dergelijke onthaalklassen zouden ook moeten ingericht worden voor anderstalige leerlingen van Belgische oorsprong.
Het systeem van overgangsklassen moet strikt beperkt worden in de tijd en moet de integratie van de leerlingen in de Nederlandstalige gemeenschap bevorderen.

D.4. Bicultureel onderwijs.

Er zijn op dit ogenblik 8 scholen waar een bicultureel project loopt voor Italiaanse, Spaanse en Turkse kinderen. In zo’n project worden de kinderen zoveel mogelijk opgevangen in hun eigen taal op een manier die hun de kans moet geven om progressief over te schakelen naar het Nederlandstalig onderwijs. Dergelijke projecten zijn niet eenvoudig en het is niet mogelijk dit uit te breiden naar alle anderstalige kinderen.
Er moet geëvalueerd worden of deze projecten hun doel bereiken en of ze leiden tot een betere integratie van de leerlingen en hun ouders in de Vlaamse gemeenschap. Aan de hand van de resultaten kunnen deze projecten aangepast of uitgebreid worden.

D.5. Lessen Nederlandse taal en cultuur voor de ouders.

Het is aanbevelenswaardig dat de ouders hun kinderen ook in de schooltaal kunnen begrijpen en begeleiden. Daarom moeten anderstalige ouders de kans krijgen om Nederlands te leren.
Hierbij kan gedacht worden aan avondonderwijs voor buitenhuis werkende ouders. Voor migrantenvrouwen die niet buitenhuis werken en zich daardoor zeer moeilijk kunnen integreren, zouden lessen kunnen gegeven worden in de school waar ze hun kinderen brengen en tijdens uren dat de kinderen op school zijn.
Hiertoe gaf de Vlaamse Gemeenschapscommissie in 1991 opdracht aan “Brusselleer, Centrum voor Basiseducatie Brussel” om taallessen Nederlands te organiseren voor laaggescholde anderstalige ouders met kinderen in het kleuter- en de eerste graad lager onderwijs. De lessen worden in de scholen zelf georganiseerd en laten toe een minimale basis te bereiken na één jaar. Er wordt ook reeds een tweede jaar aangeboden en er bestaat vraag naar een derde jaar.
Het resultaat van dit initiatief moet geëvalueerd worden en dit zou moeten aangepast en uitgebreid worden tot alle anderstalige ouders.
Voor het inschrijven van kinderen in Nederlandstalige scholen kan misschien als voorwaarde gesteld worden dat de ouders ofwel een elementaire kennis van het Nederlands hebben, ofwel bereid zijn Nederlandse taallessen te volgen ?

D.6. Integratie van de Nederlandstalige scholen in Vlaamse dienstencentra.

De Nederlandstalige scholen zijn op dit ogenblik de best gekende en best zichtbare Vlaamse aanwezigheid in Brussel. Hiervan zou moeten gebruik gemaakt worden om ook op andere gebieden de Vlaamse aanwezigheid te versterken en zo de integratie van een aantal inwoners van Brussel in de Vlaamse gemeenschap te bevorderen. Hierbij kan gedacht worden aan een gezondheidscentrum, een afdeling van Kind en Gezin, een kantoor voor arbeidsbemiddeling. Het is natuurlijk niet mogelijk, noch wenselijk een dergelijke dienstverlening in alle Nederlandstalige scholen in te richten. Er kan wel een systeem uitgebouwd worden waarbij anderstalige en allochtone ouders via de Nederlandstalige school van hun kinderen, gemakkelijk toegang krijgen tot de bestaande Nederlandstalige voorzieningen in Brussel en rond Brussel.

D.7. Samenwerking tussen de Brusselse Nederlandstalige scholen van verschillende netten.

Indien in bepaalde delen van Brussel sommige Nederlandstalige scholen, behorend tot verschillende netten zouden bedreigd worden in hun bestaan, dan moet door samenwerking, zelfs over de netten heen, het aanbod gewaarborgd blijven. Dit moet dan wel gebeuren op een manier die de vrije keuze op gebied van levensbeschouwing eerbiedigt en met behoud van de beste kwaliteit die nu in de verschillende netten bestaat.

D.8. Samenwerking over de gewestgrenzen en uitbouwen van efficiënt vervoer naar de Nederlandstalige scholen in en rond Brussel.

Het Nederlandstalig onderwijs in Brussel moet geïntegreerd zijn in het onderwijs in de rest van Vlaanderen. Vooral voor het middelbaar en hoger onderwijs moet samenwerking tussen scholen over de grenzen van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest mogelijk zijn. Samenwerking over de grenzen van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, mag het toekennen van gunstnormen niet in het gedrang brengen, waar dit kan bijdragen tot de integratie van anderstaligen in de Vlaamse gemeenschap. Een aangepast en efficiënt openbaar en eigen vervoer moet uitgebouwd worden zodat de Nederlandstalige scholen in en rond Brussel gemakkelijk kunnen bereikt worden.
Het verdient aanbeveling dat scholen van buiten en binnen Brussel elkaar zouden ontmoeten en door hun wederzijds contact hun respectieve situatie leren kennen en appreciëren. Een vorm van verbroedering of verzustering is hiervoor aangewezen.

D.9. Ondersteunen van het Nederlandstalig hoger onderwijs in Brussel.

Het Nederlandstalig hoger onderwijs is zeer belangrijk voor de Vlaamse aanwezigheid in Brussel en voor het versterken van de band tussen Brussel en de rest van Vlaanderen. Er bestaat op dit ogenblik een uitgebreid aanbod van Nederlandstalig hoger onderwijs in Brussel, zowel universitair als buiten de universiteit. Een rationalisatie van het hoger onderwijs in Vlaanderen is noodzakelijk. Bij het uitvoeren van deze rationalisatie moet rekening gehouden worden met de van de meerwaarde die geboden wordt door de aanwezigheid van Nederlandstalig hoger onderwijs in Brussel. Deze meerwaarde bestaat enerzijds in het versterken Nederlandstalige aanwezigheid in Brussel en anderzijds in de mogelijkheden die verbonden zijn aan het studeren in een stad waar culturen cosmopolitisch samenleven.

D.10. De jaarlijkse reclamecampagne voor het Nederlandstalig onderwijs.

De jaarlijkse reclamecampagne is tot nu toe zeer efficiënt geweest en speelt goed in op de steeds veranderende omstandigheden. Dat moet zo verder gezet worden. De problemen die voortspruiten uit de aanwezigheid van veel anderstaligen in het Nederlandstalig onderwijs moeten op de aangepaste manier opgevangen worden en mogen geen reden zijn om het aanprijzen van Nederlandstalig onderwijs, ook bij anderstaligen, te verzwakken.

EEN VLAAMSE BRUSSEL-POLITIEK OP LANGERE TERMIJN
Krachtlijnen ter Bevordering van een Vlaamse Toekomst voor Brussel

Het wordt steeds duidelijker dat de Belgische staatshervorming niet ten einde is of mag zijn, en dat er nog verdere staatshervormingen nodig zijn en mogen verwacht worden. Die evolutie zal en moet gaan in de zin van een verdere uitbouw van de autonomie van Vlaanderen en Wallonië en in een verdere afkalving van de macht van de federale Belgische staat. Men moet minstens komen tot volwaardige deelstaten Vlaanderen en Wallonië en een gebied Brussel met een nader te omschrijven statuut (zoals er een Duitstalig gebied met een apart statuut nodig zal zijn). Men moet zich ook bewust worden van Vlaamse zijde van het reële gevaar dat de evolutie verkeerd zou kunnen lopen in de zin van een grotere autonomie van drie gelijkwaardige gewesten Vlaanderen-Wallonië-Brussel. Er moet ook rekening gehouden worden met de mogelijkheid van het uiteenvallen van de Belgische staat.
Het is daarom noodzakelijk dat er een globale Vlaamse visie op de toekomst van Brussel en de verhouding Brussel-Vlaanderen zou bestaan, zodat Vlaanderen op elk ogenblik kan inspelen op elke evolutie terzake.

Het doel moet zijn de eenheid van Brussel met de rest van Vlaanderen te erkennen, te versterken en te doen bewaren. Deze eenheid moet in de eerste plaats erkend en beleefd worden door de Vlamingen. Gezien het belang van Brussel en Vlaanderen voor de Europese Unie en bijgevolg voor de hele wereld is het van even groot belang dat de eenheid tussen Brussel en de rest van Vlaanderen internationaal zou erkend worden.
Welke vormen deze eenheid moet aannemen is een probleem dat de Brussel-politiek overstijgt. Het wordt geheel anders gesteld in bijv. de volgende algemene richtlijnen van de evolutie van de Belgische staatsstructuur, die men ruwweg kan herleiden tot een van de volgende vormen :
– een doorgedreven tweeledig federalisme, met een bijzonder gebiedstructuur voor Brussel ;
– een confederaal België ;
– een uiteenvallen van België.

Het lijdt geen twijfel dat Brussel historisch en geografisch bij Vlaams-Brabant hoort en dus bij het huidige Vlaanderen, maar dat een groot gedeelte van het huidige Brussel dat nog niet wil aanvaarden. De federalisering van België is tot stand gekomen op basis van het taalgebruik. Dit heeft ertoe geleid dat er een Vlaamse (bijna) deelstaat kon ontstaan, maar heeft voor Vlaanderen als nadeel gehad dat de band tussen Brussel en de rest van Vlaanderen verzwakt werd. Zo kon een gedeeltelijke drieledige gewestvorming ontstaan.

Alhoewel het huidige Vlaanderen ontstaan is op basis van de taal van de bevolking is het duidelijk dat de taal niet de enige basis is voor het vormen van een politieke eenheid. Andere gemeenschappelijke belangen en vooral economische en sociale factoren kunnen hierbij een even grote rol spelen. Brussel is op gebied van taalgebruik in veel te grote mate vervreemd geraakt van de rest van Vlaanderen, maar heeft zich daarom niet cultureel geassimileerd met Wallonië of met Frankrijk. Anderzijds blijft Brussel op sociaal en economisch vlak nauw aangesloten bij Vlaanderen en is het in zekere mate vervreemd geraakt van de “Waalse PS-staa

Vermits Brussel economisch , sociaal, geografisch en historisch bij Vlaanderen hoort en enkel op het gebied van taalgebruik dichter bij Wallonië staat, heeft Vlaanderen sterke argumenten om de eenheid tussen Brussel en de rest van Vlaanderen op te eisen. Het toekomstig statuut van Brussel zal afhangen van het relatief belang dat door de verschillende belanghebbende partijen aan die verschillende factoren gehecht wordt, en aan het gewicht van deze partijen op beslissende ogenblikken. Daarom moet Vlaanderen een politiek plan opstellen om zoveel mogelijk belanghebbenden ervan te overtuigen dat het bewaren van de eenheid tussen Brussel en de rest van Vlaanderen ook voor hen de beste oplossing is, welke ook de verdere evolutie van de Belgische staat moge zijn. Om de belanghebbenden te overtuigen moet dit plan in de mate van het mogelijke tegemoet komen aan de verzuchtingen van de voornaamste belanghebbende partijen.

5.A. De Vlamingen

Vele Vlamingen werken in Brussel of hangen voor hun inkomen af van Brussel. Via de omweg Brussel wordt een belangrijk deel van de inkomsten van vele Vlamingen en zo van de Vlaamse deelstaat gegenereerd. De contacten van Vlaanderen met de rest van de wereld verlopen in belangrijke mate via Brussel. De steeds belangrijker wordende betrekkingen met heel de EU organisaties verlopen en zullen in elke hypothese blijven verlopen in Brussel. Dit zijn redenen genoeg voor de Vlamingen om Brussel niet los te laten (om dan hier nog niet te spreken over alle historische en emotionele redenen). Toch zijn veel Vlamingen hiervan niet overtuigd.
Om Brussel te behouden zal Vlaanderen gedurende nog vele jaren zware inspanningen, financiële en andere, moeten leveren. Daarom moet er een politiek plan bestaan om heel Vlaanderen en de Vlaamse politici te overtuigen van de noodzaak van deze inspanningen.

5.B. De Vlaamse bedrijfswereld

Veel bedrijven die in Vlaanderen actief zijn hebben hun hoofdzetel in Brussel. Brussel vormt een belangrijk deel van hun afzetmarkt. Deze bedrijven wensen een zelfde wetgeving in beide gebieden. In principe zullen de Vlaamse ondernemingen, in de overtuiging dat een terugkeer naar de unitaire structuren niet mogelijk noch wenselijk is, een wegvallen van alle sociaal-economische grenzen tussen Brussel en de rest van Vlaanderen gunstig gezind zijn.

5.C. De Brusselse Vlamingen

Veel Vlamingen wonen in Brussel om professionele en economische redenen, maar voelen er zich op sociaal en cultureel gebied achteruit gesteld. Zij hoeven niet overtuigd te worden van de noodzaak van de eenheid tussen Brussel en de rest van Vlaanderen. Zij verwachten meer steun van de Vlaamse Gemeenschap.

5.D. De Franstalige Brusselaars

De Franstalige Brusselaars vormen een ver van homogene groep : van Walen die in Brussel wonen, over mensen die zich enkel als Franstalig Brusselaar en Belg willen bekennen, tot oppervlakkig verfranste Vlamingen.
Ze voelen zich sociaal-economisch niet verbonden met Wallonië, maar wel op taalkundig en cultureel gebied. Sociaal-economisch leunen ze meer aan bij Vlaanderen, waartegen ze zich taalkundig afzetten. Ze voelen zich thuis in Brussel, en worden niet gehinderd in hun persoonlijke
ontplooiing. De meesten voelen zich best tevreden met de huidige institutionele structuren die hen toelaat op “de twee paarden te wedden” : sociaal-economisch eerder bij Vlaanderen aanleunend, cultureel en taalkundig bij Wallonië.
Versterking van de banden met Vlaanderen schrikt hen waarschijnlijk niet af voor zover het hen blijft toelaten de dubbele band te bewaren. Naarmate de Belgische bovenbouw verschraalt, zal deze evenwichtsoefening delicater worden.

5.E. De vreemdelingen in Brussel

De meeste vreemdelingen (buiten Nederlanders) leunen aan bij de Franse gemeenschap. Dit is te verklaren door de dominantie en de alomtegenwoordigheid van het Frans in Brussel, en door het feit dat in sommige landen van oorsprong het Frans een grote rol speelt, althans actief in de scholen wordt aangeleerd. Indien blijkt dat het Nederlands belangrijk is voor goede tewerkstelling, zullen meer vreemdelingen, en vooral diegenen die zich voornemen definitief hier te blijven, stilaan aansluiting zoeken bij de Vlaamse gemeenschap. Dit is een werk van lange adem, en met niet snel zichtbare resultaten.

5.F. De Brusselse bedrijfswereld

De Brusselse bedrijfswereld keurt de bestaande situatie goed. De contacten met het economisch sterke Vlaanderen worden niet gehinderd en ze hoeven zich niet te bekommeren om de taal. In hun contacten met de klanten moeten ze wel het Nederlands gebruiken. Toch zouden de Brusselse bedrijfsleiders kunnen bewustgemaakt worden van de nadelen van de huidige Belgische toestand : zware lasten op arbeidsinkomen, de onmogelijkheid tot sociaal overleg op Belgisch vlak ten gevolge van het sociaal conservatisme van het FGTB en de PS.

5.G. De Walen

De meeste Walen wensen geen te sterke sociaal economische band met Brussel. Ze zetten zich af tegen Brussel, maar tegelijk willen ze een sterke culturele en taalkundige band met Franstalige Brusselaars. Ze wensen de bekomen autonomie volledig te benutten. Maar gezien de povere sociaal economische resultaten aarzelen ze over een uitbreiding ervan. Ze verzetten zich permanent tegen een te belangrijke plaats voor Brussel in een structuur waaraan Brussel en Wallonië samen deel uitmaken, zoals nu in België.
Ze willen België hoofdzakelijk behouden om de bestaande transfers zo lang mogelijk in stand te houden. Indien ongecontroleerde en onverantwoorde transfers kunnen afgebouwd worden, zal de belangstelling van Wallonië voor de Belgische Staat verminderen. Misschien zal de band tussen Wallonië en Brussel ook verzwakken.

5.H. De andere landen

Gezien de ligging van België op de grens van Latijns en Germaans Europa en gezien het belang van Brussel voor de Europese Unie, heeft de verdere evolutie van de Belgische staatshervorming belang voor het evenwicht in Europa. Behalve Frankrijk heeft geen enkel land er voordeel bij dat Brussel in Franse handen zou komen. Een annexatie van Wallonië en Brussel bij Frankrijk zou het evenwicht in de Europese Unie grondig verstoren en zou de plaats van Brussel als mogelijke hoofdstad van Europa in het gedrang brengen. Ook een onafhankelijke Brusselse stadstaat onder Fransgezind bestuur zou een onaanvaardbare machtsverschuiving in het voordeel van Frankrijk betekenen. De Noord- en Oost-Europese landen, samen met Groot-Brittannië en de V.S.A. moeten ervan overtuigd worden dat het evenwicht in Europa en ook hun belangen het best gediend worden door het in stand houden van nauwe banden tussen Brussel en de rest van Vlaanderen.

5.I. De bestuurders van de bestaande instellingen

De Brusselse ministers en andere mandatarissen leven nu in een comfortabele situatie. De Franstalige mandatarissen kunnen ongestoord hun gang gaan. Ze benoemen en bevorderen zoals het hun belieft, ze lappen de taalwetten aan hun laars en ze voeren een beleid van sluipende verfransing. Spijtig genoeg spelen een aantal Vlaamse mandatarissen dit spel mee uit schrik voor een confrontatie en om geen potten te breken. In plaats van standvastig het Vlaams belang te dienen, laten ze een verfransend beleid zijn gang gaan ; ook de mogelijkheid enkele Vlaamse vrienden mooie carrièreperspectieven aan te bieden, zet hen tot zo’n zwakke houding aan.
De federale regering en de meeste federale parlementsleden hebben nooit de moed gehad de taalwetten te doen eerbiedigen en de voortschrijdende verfransing werkelijk te stoppen. Ook het koningshuis heeft nooit inspanningen gedaan om het Nederlands in Brussel te bevorderen. Wie opkwam voor de rechten van de Nederlandse taal werd door het hof stelselmatig terechtgewezen.

De invloed van de belanghebbenden

Niet alle belanghebbende partijen hebben evenveel invloed en hun respectieve invloed kan variëren. Zo zijn voor de sociaal- economische politiek de meningen van het Vlaamse en Brusselse bedrijfsleven belangrijker dan de mening van de bevolking.
Voor internationale erkenning van de eenheid van Brussel met de rest van Vlaanderen speelt de mening van de Brusselaars of van de Vlamingen geen doorslaggevende rol, maar wel de belan­gen van de internationale gemeenschap, economische factoren en de machtsevenwichten in Europa.

6.A. Taalgebruik

Het taalgebruik ligt aan de basis van de opeenvolgende staatshervormingen en zal ook in de toekomst een belangrijke rol spelen. Een aanwezigheidspolitiek van Nederlandstaligen in Brussel en het afdwingen van de toepassing van de taalwetten blijven daarom zeer belangrijk.

6.B. Cultureel prestige

Het cultureel prestige van het Frans en de grondige verfransing van de burgerij gedurende 20 jaar Frans bewind, hebben een belangrijke rol gespeeld in de verfransing van België en in de achteruitgang van het Nederlands. Dit hoeft daarom nog geen doorslaggevende rol te spelen bij het bepalen van het toekomstig statuut van Brussel.
Het is zinloos het cultureel prestige van het Frans te willen ontkennen of bestrijden, wat evenwel geen reden is om niet stelselmatig het overdrevene van de Franstalige zelfophemeling te doorprikken. Het is veel beter, waar het kan, in samenwerking met Nederland, een politiek te voeren waardoor het cultureel prestige van het Nederlands, ook in Brussel, versterkt wordt.

6.C. Machtsfactoren

Het cultureel prestige van het Frans is niet los te maken van het Franse imperialisme. Een volledige verfransing van Brussel zou het machtsevenwicht in Europa verschuiven in het voordeel van Frankrijk en zou Brussel ongeschikt maken als toekomstige hoofdstad van Europa.

6.D. Economische en sociale factoren

Een gezond economisch en sociaal beleid van de Vlaamse deelstaat, een splitsing van de sociale zekerheid met een aantrekkelijk Vlaams stelsel en een voldoende aanbod van kwalitatief hoogstaande Vlaamse welzijnsvoorzieningen in Brussel, zijn de beste middelen om de eenheid van Brussel met de rest van Vlaanderen te bevorderen.

6.E. Samenhorigheidsgevoel

Een sterkere band Vlaanderen-Brussel is ondenkbaar zonder behoorlijk samenhorigheidsgevoel van brede lagen van de bevolking. Dit kan verschillende vormen en gradaties aannemen :
Het samenhorigheidsgevoel van bewuste Vlamingen in Brussel met Vlaanderen is groot en stelt geen probleem. Dat van de “gewone” Vlaming in Brussel en zelfs van licht verfranste Vlamingen is er eerder een van goede nabuurschap. Voor de meeste Franstalige Brusselaars bestaat er een vorm van een algemeen Belgisch samenhorigheidsgevoel, dus ook met Vlaanderen, vermengd met een sociaal-economische affiniteit. Bij veel Franstalige Brusselaars wordt het samenhorigheidsgevoel met Vlaanderen gehinderd door taalkundige en andere ergernis.

Het samenhorigheidsgevoel van Vlaanderen met Brussel is duidelijk beneden peil en vertoont vergelijkbare gradaties :
De “bewuste Vlamingen” voelen zich “intellectueel” met Brussel verbonden, maar zijn er dikwijls weinig mee vertrouwd. Voor de grote groep “gemiddelde Vlamingen” bestaat er een historische ergernis over Brussel, dat een beeld heeft van eigenwijs optreden, bron van verfransing, onterecht superioriteitsgevoel , enz. Dit kan perfect samengaan met vlotte economisch betrekkingen en ook met dagelijks werken in Brussel. Sommigen zien Brussel als “een noodzakelijk kwaad”.
Op een zekere manier zijn er vergelijkingen te maken met de ergernis van veel Franstalige Brusselaars tegenover Vlaanderen.
De “ergernis over Brussel” om allerlei redenen, is zo verspreid dat men nuchter moet vaststellen dat vele Vlamingen die “lastpost Brussel” eerder “kwijt dan rijk” zouden willen zijn.

6.F. De evolutie van de instellingen

Wanneer tussen Brussel en de rest van Vlaanderen een ondubbelzinnige institutionele band bestaat, is dit een krachtig argument om Brussel en de rest van Vlaanderen internationaal als een onverbrekelijk geheel te doen erkennen. De tweeledigheid van België verder uitbouwen is bijgevolg van het grootste belang bij de volgende staatshervormin

7.A. Vlaanderen overtuigen van het belang van Brussel en van het aanhalen van de banden met Brussel

Zonder een snelle en duidelijke verbetering van de toestand op dit punt, is het risico groot dat bij volgende onderhandelingen we nooit tot behoorlijke resultaten voor Brussel komen.

Daarbij kan men drie vlakken onderscheiden :

a. Vlaanderen overtuigen dat het verlies van Brussel voor Vlaanderen een enorme slag zou zijn. De Vlaamse economie is nauw verbonden met Brussel. Het ontstaan van een grens tussen Brussel en de rest van Vlaanderen, zelfs met het behoud van een economische unie, zou zware gevolgen hebben voor de Vlaamse economie. Vlaanderen zou zijn bevoorrechte positie als gastland van de Europese instellingen verliezen en zou gereduceerd worden tot een klein land met weinig politieke macht in het verenigd Europa.

b. De afkeer in Vlaanderen voor Brussel systematisch afbouwen, en een imago opbouwen van “Brussel als kroonjuweel voor Vlaanderen”. Niet gemakkelijk, maar essentieel.
Daarbij mogen en moeten de historische band als “hoofdstad van de zuidelijke Nederlanden” en de emotionele gegevens volop uitgespeeld worden. Dit betekent nog niet dat men bestaande niet aantrekkelijke punten moet verzwijgen, maar wel tot hun reële betekenis herleiden.
Om er toe te komen dat Vlamingen zich vlot in Brussel gaan vestigen en er ongecomplexeerd zouden leven, even vlot als Walen naar Brussel komen wonen, bijv. omdat zij er werken.

c. Om de eenheid tussen Brussel en de rest van Vlaanderen te behouden en te versterken , zal Vlaanderen een belangrijke inspanning moeten doen, ook op financieel vlak.
Dit is heel iets anders dan, zoals nu gebeurt, zomaar voor een of andere reden miljarden toestoppen aan de huidige Brusselse politieke instellingen. Integendeel.

d. Intelligente voorlichting in Vlaanderen zelf en systematische inspanningen om het leven van de Vlamingen te Brussel te vergemakkelijken, inbegrepen om hun inwijking in Brussel te vergemakkelijken, zullen jarenlang moeten volgehouden worden.

e. Uiteraard moeten de Vlamingen en Vlaamse politici overtuigd worden dat het een belangrijke en nuttige investering is voor de toekomst van Vlaanderen.

7.B. De Franstalige Brusselaars overtuigen van de noodzaak van een Vlaams-Brusselse belangengemeenschap.

Om de band tussen Brussel en de rest van Vlaanderen te kunnen bewaren moet een meerderheid van de Franstalige Brusselaars dit aanvaarden en dit kan enkel indien ze ervan overtuigd geraken dat ook hun belangen daarmee gediend zijn.

Hierin kan men verschillende vlakken onderscheiden :
a. De Franstalige Brusselaars ervan overtuigen dat hun economische belangen het best gediend zijn door een zo groot mogelijke integratie in een welvarend en goed bestuurd Vlaanderen.

b. De vrees van de Franstalige Brusselaars voor een culturele en taalkundige overheersing vanuit Vlaanderen wegnemen.

c. De Franstalige Brusselaars ervan overtuigen dat een grotere bloei en ontplooiing van de Nederlandse cultuur in Brussel voor hen geen bedreiging, maar wel een verrijking is.

d. De Franstalige Brusselaars ervan overtuigen dat een beleid samen met Vlaanderen hen de beste kansen biedt voor werkgelegenheid, efficiënte ruimtelijke ordening en leefbaarheid van de stad.
7.C. Internationale actie

Tot nu toe is Vlaanderen in het buitenland een historisch begrip, een cultureel begrip, een toeristisch begrip, een economisch begrip, maar helemaal geen politiek begrip.
Ook de Vlaamse strijd om tot een hervorming van België te komen is ofwel volkomen onbekend, ofwel stuit ze op vijandigheid en verkeerde voorlichting.
Vergeten we niet dat én alle ambassadepersoneel, én praktisch alle vertegenwoordigers van buitenlandse media in Brussel, wel Frans kennen maar de meesten geen Nederlands, en dus hun contacten en hun informatie van Franstalige kant halen en daarbij de Franstalige voorstelling van zaken over de Vlaamse ontvoogding bijna klakkeloos overnemen.
Via alle mogelijke wegen (de Vlaamse diplomaten in het buitenland, de vertegenwoordigers van buitenlandse media in Brussel, enz.) moet Vlaanderen het Vlaamse standpunt inzake Brussel kenbaar maken bij de andere landen. Er moet aangetoond worden dat Brussel historisch, geografisch, economisch en cultureel bij Vlaanderen hoort. Kaarten waarop duidelijk blijkt dat Brussel binnen Vlaanderen ligt, zijn een geschikt hulpmiddel.
Er moet aangetoond worden dat, mocht het tot een uiteenvallen van België komen, Vlaanderen het enige landsdeel is dat in staat is en bereid is alle verplichtingen van de Belgische staat over te nemen.
Er moet op gewezen worden dat Vlaanderen democratisch bestuurd wordt en dat er geen discriminatie van een Franstalige minderheid in Vlaanderen bestaat. Er moet op gewezen worden dat de Franstaligen in Vlaanderen geen etnische minderheid zijn, maar verfranste Vlamingen, die voor zich bepaalde privileges opeisen die in geen enkel ander land zouden toegestaan worden. Er moet aangetoond worden dat de Vlaamse en Belgische taalwetten enkel betrekking hebben op het taalgebruik in de openbare diensten en dat deze wetten geenszins de persoonlijke vrijheid van de burgers beknotten.
Het stelselmatig aanhalen van de banden met Nederland ter verdediging van gemeenschappelijke belangen zowel in het Europese parlement als in andere Europese instellingen is van onschatbaar belang.

7.D. Fiscale en economische hefbomen in Vlaamse handen

Een goed economisch beleid versterkt de positie van Vlaanderen en komt de bevolking ten goede. Het immobilisme op Belgisch niveau verhindert dringend noodzakelijke aanpassingen. Daarom moet het fiscaal beleid zo snel mogelijk in handen van de Vlaamse deelstaat komen.

7.E. Een Vlaamse sociale zekerheid

Een Vlaams sociaal beleid en de organisatie van een eigen netwerk van kwalitatief hoogstaand dienstbetoon, kan het vertrouwen van de mensen wekken door een doorzichtig en rechtvaardig systeem in plaats te stellen van het huidige inefficiënte, verwarde en onrechtvaardige Belgische systeem. Daarom moeten de essentiële onderdelen van de sociale zekerheid in handen van de Vlaamse deelstaat komen en moet Vlaanderen die sociale zekerheid ook ten dienste stellen van Brussel.

7.F. Vlaams sociaal overleg

Reeds meerdere jaren mislukt elke poging om op federaal niveau met de sociale partners tot sociale akkoorden te komen. Wanneer het sociaal overleg op Vlaams niveau plaats vindt, kunnen de sociale partners elkaar vinden. Vlaamse sociale stabiliteit versterkt de Vlaamse economische positie en oefent zeker op Brussel een belangrijke aantrekkingskracht uit.

Het O.V.V. is er van overtuigd dat de hierboven uiteengezette actiepunten in elk geval essentieel zijn voor de toekomst, welk ook het institutioneel kader zal zijn waartoe we zullen geraken inzake de algemene evolutie van België. Hierna worden 5 types van evolutie geschetst, die allemaal in meer of mindere mate verenigbaar zijn met wat hiervoren werd uiteengezet.

Om logische redenen zijn zij niet zuiver “crescendo” geklasseerd.

8.A. Een toekomstig statuut van België, waarin er twee deelstaten zijn, Vlaanderen en Wallonië, en twee deelgebieden, Brussel en Duitstalig België. Dit model beantwoordt in ruime mate aan wat ontwikkeld werd in de “Proeve van grondwet voor Vlaanderen”. Het gaat dus over een diepgaand maar tweeledig federaal statuut van België, met twee deelstaten, elk met eigen regering en parlement, en met bevoegdheden die veel verder gaan dan de huidige bevoegdheidsverdeling.
Zo wordt o.m. de sociale zekerheid gesplitst en er bestaat een zeer grote fiscale autonomie, bijv. voor personenbelasting en vennootschapsbelasting.
Uiteraard behouden Vlaanderen en Wallonië alle culturele en sociaal economische bevoegdheden die ze nu hebben, evenals inzake onderwijs. Naast de twee deelstaten bestaan er twee deelgebieden, het Duitstalig gebied en het gebied Brussel-hoofdstad (uiteraard binnen de grenzen van het huidig Brusselse hoofdstedelijk gebied).
Het deelgebied Brussel behoort tegelijkertijd tot Vlaanderen en tot Wallonië. Op alle bevoegdheidsgebieden waar twee wetgevingen en twee organen van uitvoerende macht tegelijk kunnen werken in een zelfde gebied, geldt niet alleen de Vlaamse wetgeving voor de Brussel­se Vlamingen, maar worden de uitvoerende taken ofwel rechtstreeks uitgeoefend door de Vlaamse deelstaat (bijv. inzake onderwijs), of draagt deze Vlaamse deelstaat ze op aan een “Vlaamse Commissie”, die wezenlijk verschilt van de huidige Vlaamse Gemeenschapscommissie, doordat zij niet op enige wijze afhankelijk is van Brusselse gewestelijke instellingen, maar uitsluitend van de Vlaamse regering.
De Vlaamse deelstaat kan de bevoegdheden van deze Vlaamse Commissie uitbreiden of beperken of modereren volgens wat het meest geschikt blijkt te zijn voor de specifieke toestand van Brussel.
De Brusselse-Vlamingen, zoals de andere Vlamingen, kiezen rechtstreeks hun vertegenwoordigers in het parlement. Het is aangewezen een grote Vlaamse kieskring te maken Brussel-Halle-Vilvoorde-Leuven. De Brusselse Vlamingen kiezen daarenboven ook rechtstreeks de raad van de Vlaamse Commissie.
Daarnaast is er ook voor die domeinen, waar eenheid van regelgeving en van uitvoering noodzakelijk is, een Brusselse gewestraad (dus niet een Brussels parlement), dat binnen de krijtlijnen samen bepaald door de deelstaten Vlaanderen en Wallonië, ordonnanties treft voor Brussel. In de Brusselse hoofdstedelijke raad, samengesteld zoals nu op taalgesplitste lijsten, en bij toepassing van het systeem van poolvorming, heeft de minst talrijke groep minimaal 1/3 van de mandaten, op een totaal van bijv. 50 leden, dus duidelijk lager in aantal dan deze voor de deelstaten Vlaanderen en Wallonië.
De Brusselse hoofdstedelijke regering is strikt paritair samengesteld, zij het met beslissende stem voor de voorzitter, alternerend een Vlaming en een Franstalige.
In de Brusselse gemeenten, liever samengesmolten tot 4 of 5 gemeenten, is de doortrekking van dezelfde beginselen eenvoudig; in gemeenteraden en raad van het O.C.M.W. minstens 1/3 leden van de minst talrijke groep, college van burgemeester en schepenen en uitvoerend orgaan van het O.C.M.W., strikte pariteit.
Uiteraard moeten dan ook de modaliteiten geregeld worden van de doorwerking op gemeentelijk vlak van de bevoegdheden toegekend aan respectievelijk Vlaanderen en Wallonië, uiteraard ook van deze van de Vlaamse commissie (respectievelijk Franse commissie).

8.B. Zoals het denkbaar is dat in de eerstkomende grondwetsherziening en daaruit voortvloeiende bijzondere wetten, de tweeledige staatsstructuur van België niet in eens wordt verwezenlijkt, maar met nog een tussenstap, is het dan te verwachten dat er een parallelle tussenstap zal zijn voor Brussel, voor een aantal jaren.
Het is onbegonnen werk deze precies te beschrijven, vermits veel zal afhangen van de globale Belgische tussenstap naar uitgediept federalisme. Men kan enkel algemeen zeggen dat het een afspiegeling voor Brussel moet zijn van de volgende algemeen Belgische tussenstap.

8.C. Een confederaal België , dus met soevereine Vlaamse en Waalse deelstaten, met een lichte Belgische bovenbouw.
In zo’n schema is er ook plaats voor een Duitstalig deelgebied (waarop hier niet verder wordt ingegaan), en voor een deelgebied Brussel.
In zo’n deelgebied Brussel zijn de eigen bevoegdheden en eigen instellingen van Vlamingen en Franstaligen minstens deze geschetst onder 8.A

Daarbij dienen dan ook de volgende essentiële bedenkingen gemaakt te worden :

a. Een juiste omschrijving van de bevoegdheden en de instellingen voor Brussel zijn, tegenover A, niet meer “federaal afgesproken regelen”, maar eigenlijk internationaalrechtelijke verdragen tussen Vlaanderen en Wallonië.
Vermits er anderzijds geen federaal parlement meer bestaat, en geen federale regering, in de volle betekenis van het woord, stelt zich onvermijdelijk het probleem van conflictenregeling voor Brussel, en van de wijze waarop nu nog niet voorzienbare ontwikkelingen (bijv. even onvoorzienbaar als milieurecht 40 jaar geleden) moeten opgevangen worden.
Moet voor die gevallen een gemeenschappelijk wetgevend orgaan blijven bestaan, of punctueel in werking treden?
Of moet men eerder denken aan een “confederaal gerechtshof” dat veel meer doet dan de bestaande verdragen tussen Vlaanderen en Wallonië toepassen en interpreteren, maar eigenlijk in de lijn van een aantal basisprincipes, nieuwe regelen mag ontwikkelen ?
Daarbij kan men denken aan het huidige Amerikaanse Hooggerechtshof, en eigenlijk ook het Europees Hof te Luxemburg, die in feite, als het ware onder de paraplu van interpretatie van bestaande normen, ook nieuw recht schrijven.

b. In een confederale structuur is het ook niet ondenkbaar dat Brussel opgenomen wordt in de Vlaamse staat, maar met een hele reeks waarborgen die dan eigenlijk internationaalrechtelijk zijn vastgelegd voor Franstaligen te Brussel tussen de staten Vlaanderen en Wallonië. In dat geval benadert men dicht de toestand van Brussel in een onafhankelijke Vlaamse staat.
Maar ook hier kan een confederaal gerechtshof voor Vlaanderen en Wallonië de zaken meer aanvaardbaar (of minder onaanvaardbaar !) maken voor de Franstaligen.

8.D. Het statuut van Brussel in een onafhankelijk Vlaanderen.

a. De stelling dat de Vlaamse staat Brussel gewoon moet integreren, zonder speciaal statuut, is niet realistisch en zou zoveel tegenstand opwekken dat het uiteindelijk resultaat het tot stand komen van een afzonderlijke Brusselse stadstaat zou kunnen zijn. Het is daarom veel beter voor Vlaanderen een realistisch en gematigd standpunt te formuleren, waarbij duidelijk gesteld wordt hoever Vlaanderen kan gaan in het toekennen van autonomie en eigen rechten aan zijn hoofdstad.

b. Brussel zou in een onafhankelijke federale Vlaamse staat een ruime mate van autonomie kunnen krijgen met een eigen parlement voor culturele en persoonsgebonden materies voor de Franstalige Brusselaars, in een asymmetrische structuur, zoals door het O.V.V. reeds vooropgesteld werd in de motie “Brussel, Hoofdstad van Vlaanderen”.
Men kan reeds enkele krachtlijnen, maar niet meer, formuleren van wat het zou kunnen worden : dat de officiële taal van een Vlaamse staat Nederlands en enkel Nederlands is ; dat in de hoofdstad Brussel er bestuurlijke tweetaligheid is ; dat in Brussel de Franstaligen cultureel autonome bevoegdheid krijgen ; dat het Franstalig onderwijs er van laag tot hoog vrij tot ontwikkeling mag komen.
Franstalige Brusselaars zullen het risico niet willen lopen dit enkel vastgelegd te zien in een Vlaamse grondwet, die later kan veranderd worden. Een mogelijke oplossing is een aantal dingen vast te leggen onder vorm van Staatsverdrag tussen Vlaanderen en hetzij Wallonië hetzij Frankrijk, volgens wat het toekom­stig statuut van Wallonië zal zijn – analoog met bijv. het Oostenrijks-Italiaans verdrag over de Duitssprekende Zuid-Tirolers – , ofwel in een grondwet, die op bepaalde punten geblokkerd is met een dubbele meerderheid.

8.E. Het statuut van Brussel in een Benelux confederatie.

Het is ver van zeker dat ooit de Franstalige Brusselaars en de Walen de huiver zullen overwinnen van Brussel “over te leveren” aan een onafhankelijk Vlaanderen, wat ook de waarborgen zijn die men aanbiedt. Het is ook ver van zeker dat Wallonië ooit zal overtuigd geraken voldoende op eigen benen te kunnen staan, om een onafhankelijk Wallonië tot ontwikkeling te brengen en het is eveneens ver van zeker dat Wallonië uiteindelijk niet zou huiveren voor een opname in Frankrijk.
Als zowel Nederland als Luxemburg als Vlaanderen het economisch en sociaal blijvend en zichtbaar beter doen dan bijv. Frankrijk, en anderzijds de bekommernis groeit in de Europese Unie niet verdrongen te worden door de grote staten, dan is het niet uitgesloten dat uiteindelijk een Beneluxconfederatie meer kansen zou maken en aanvaardbaarder zou zijn voor Wallonië en de Franstalige Brusselaars, dan bijv. Brussel in een onafhankelijke Vlaamse staat of Brussel opgenomen in Vlaanderen met behoud van een Belgische confederatie.

Het zou zeker een geestelijke omwenteling vereisen in Wallonië en in Franstalig Brussel, maar misschien kleiner dan de omwenteling om te doen aanvaarden dat Brussel in een onafhankelijk Vlaanderen zou opgenomen wor­den.
Indien Luxemburg zijn “fiscaal-paradijs-voordeel” zou zien inkrimpen, en onbelangrijker dreigt te worden in de Europese Unie, en anderzijds Wallonië en Franstalig Brussel samen met Luxemburg zich sterker en beter beschermd zouden voelen in een Beneluxconfederatie Nederland – Vlaanderen – Wallonië – Luxemburg, is dergelijk toekomstbeeld misschien minder onrealistisch dan men nu zou kunnen denken.
In dat geval zou het statuut van Brussel erg kunnen lijken op het statuut van Brussel in een Vlaams-Waalse confederatie. In zo’n confederatie “met vieren en twee deelgebieden” zal er zeker gedacht worden aan een internationaalrechtelijke lichte bovenbouw. Dit kan dan zowel de vorm aannemen van een Benelux gerechtshof (dat reeds bestaat in zeer beperkte domeinen , maar dan een grote uitbreiding van bevoegdheid zou krijgen) als aan een “confederale assemblee”, met speciale meerderheden enz., die wellicht enkel intermittent zou bijeen komen waar het gaat om wijziging van onderlinge verhoudingen.Het zou ook een oplossing kunnen bieden voor anders onoplosbaar schijnende problemen op nieuwe domeinen voor Brussel.

De Vlaamse politiek moet erop gericht zijn de eenheid van Brussel met de rest van Vlaanderen te bewaren. Toch mogen we niet uit het oog verliezen dat een nieuwe staatshervorming een andere richting zou kunnen opgaan. Vlaanderen moet rekening houden met alle mogelijkheden, om een ongewenste evolutie tijdig te kunnen afwen­den of om op een minder gunstige evolutie te kunnen inspelen.

9.A. Afscheiding van Wallo-Brux of voortzetting van België door Wallo-Brux

De slechtste oplossing voor Vlaanderen kunnen we als volgt beschrijven : Brussel en Wallonië scheiden zich af en kunnen de internationale gemeenschap ervan overtuigen dat zij de Belgische staat verder zetten en Vlaanderen het afgescheurde deel is dat moet trachten internationale erkenning te vinden. Eigenlijk kan het sluwer : sommigen hopen dat door Vlaanderen systematisch te tergen, Vlaanderen ertoe zou gebracht kunnen worden zich af te scheuren en zich onafhankelijk te verklaren. Zij rekenen er dan op dat Brussel niet zou volgen, en dat dus ipso facto “België zonder Vlaanderen” gewoon internationaal de voortzetting van België zou zijn. Onder internationale druk en om de vrede te bewaren hopen zij dat Vlaanderen ertoe gebracht kan worden ook de faciliteitsgemeenten af te staan, vermits daar zogezegd een meerderheid Franstaligen wonen.
Een dergelijk scenario is volledig onaanvaardbaar voor Vlaanderen, maar het werd wel reeds als oplossing voorgesteld door Franstalige politici. Het is weinig waarschijnlijk dat het zover zou kunnen komen. Dit zou immers impliceren dat Brussel de financiële last van Wallonië op zich zou nemen, tenzij Frankrijk of Europa zou bereid zijn hiervoor op te draaien. Het zou ook betekenen dat de hoofdstad van Europa dan volledig in Frankrijk of toch onder Franse invloed zou liggen, wat moeilijk zou aanvaard worden door Groot-Brittannië en Duitsland. Alhoewel dit anti-Vlaamse scenario onwaarschijnlijk is, moet Vlaanderen ermee rekening houden.
Het gevaarlijkste zou kunnen zijn dat door systematische Waalse provocaties tegen Vlaanderen, op een ogenblik dat, zoals nu, een groot gedeelte van Vlaanderen afkerig staat tegenover Brussel en het belang van Brussel voor Vlaanderen niet of onvoldoende inziet , men aan de rand komt van een breuk waarbij België zou uiteenvallen en Vlaanderen lichtzinnig in feite Brussel zou opgeven of zou genoegen nemen met een of ander “beschermingsmechanisme voor de Vlaamse minderheid in Brussel”.

9.B. Volledige drieledige gewestvorming naar drie staten in een confederatie of drie onafhankelijke staten

De mogelijkheid dat we verder zouden evolueren naar een drieledige gewestvorming waarbij België geleidelijk alle bevoegdheden zou verliezen en er de facto drie onafhankelijke staten zouden ontstaan is niet zo maar uit te sluiten. De drie staten zouden zijn : Vlaanderen dat zijn aanspraken op Brussel laat varen en op termijn zijn administratie weg trekt uit Brussel ; Wallonië dat sterk aanleunt bij Frankrijk en er in feite totaal afhankelijk van wordt en het gewest Brussel, hetzij als onafhankelijke stadstaat, hetzij als Europees district.
Men moet het risico en de verleiding van deze oplossing niet onderschatten. Sommige van onze Franstalige “vrienden” en ook een aantal Vlaamse politici zonder Vlaamse reflex, zullen voorhouden dat het nog zo slecht niet zou zijn ; dat Vlaanderen zijn economische kansen zou behouden ; dat Vlaanderen zou profiteren van de nabijheid van de hoofdstad van Europa, zonder er de lasten van te dragen, en waarom niet, dat het Vlaanderen beter zou beschermen tegen verfransingsdruk.
Op de lange duur is dit alles natuurlijk onzin. Het is te voorzien dat, zeker met de uitbreiding van de Europese Unie, Brussel als administratief, financieel en dienstencentrum nog belangrijker wordt. Als dit Brussel ongeremd Franstaliger wordt (of Franstaliger en Engelstaliger !) en de grenzen binnen Europa vervagen met een eenheidsmunt, enz., dan verhoogt enkel de aanzuigingskracht op Vlaams-Brabant. Meer en meer Vlamingen zullen dan werken in een nog meer verfranst milieu en als “vreemdelingen”.
Beweren dat de economische banden met Brussel onveranderd gunstig zullen blijven, is ook een illusie. Economisch vervagen wel de grenzen, maar Brussel zal dan toch een ander land zijn, met een eigen sociaal economische wetgeving, enz.
Het zou de zwaarste slag zijn die men voor Vlaanderen kan indenken, en eigenlijk een onthoofden zou zijn van Vlaanderen op het ogenblik dat precies al een pak Vlaamse autonomie verworven is.
Het zal van Vlaanderen een kleine staat maken, en de positie van Vlaanderen en van het Nederlands in Europa en in de wereld in belangrijke mate verzwakken.

9.C. Brussel, Europees district

In Vlaanderen bestaat er altijd een stroming van mensen die de illusie hebben dat men conflicten met Franstaligen en met de Walen kan vermijden via een “derde weg”, die de inspanningen van een rechtstreekse confrontatie overbodig zou maken.
De sirenezang van “Brussel Europees district” is er zo een.
Het is heel onwaarschijnlijk dat de Europese Unie zo’n statuut zou wensen.
Het huidig statuut van de Europese instellingen en ambtenaren is veel comfortabeler : eigenlijk een diplomatiek statuut in een alles bij mekaar niet zo slecht draaiend land, en in een voor hen aangename stad en omgeving. Een “Europees district” veronderstelt ook dat de organen van de Europese Unie, die zich nergens moeten bekommeren om het dagelijkse reilen en zeilen van enig gebied plots zouden opgescheept zitten met een reeks taken waar ze helemaal niet voor voorbereid zijn en waar ze waarschijnlijk niets voor voelen.
Daarenboven zou logischerwijze Brussel dan de enige hoofdstad van de Europese Unie worden, terwijl zij dit nu maar gedeeltelijk (zij het voor een groot gedeelte) is, en men niet goed ziet dat Luxemburg, het Europese Hof en Frankrijk, het Europees Parlement in Straatsburg zullen laten schieten om alle Europese organismen in Brussel te zien samenvloeien.
Maar het is daarenboven een ongelooflijke illusie van Vlaanderen te denken dat de Europese Unie in dit scenario enige belangstelling zou aan de dag leggen en dus enige zorg zou dragen voor de toekomst van het Nederlands en de Vlamingen te Brussel.
Brussel zou nog eerder een Frans-Engels statuut krijgen dan een Frans-Nederlands ! Om dan nog maar niet te spreken van in dat geval de waarschijnlijke eis van de Europese instellingen dat een Europees district uiteraard op zijn grondgebied een eigen luchthaven moet hebben, woonuitbreidingsmogelijkheden, enz., zodat een Europees district Brussel grote stukken van Vlaams-Brabant zou eisen.
De invloed van de demografie in Vlaanderen op de Vlaamse aanwezigheid in Brussel.

Demografie als oorzaak van de Vlaamse achteruitgang in Brussel

In de meeste studies wordt bij het onderzoek van de oorzaken van de Vlaamse achteruitgang in Brussel geen rekening gehouden met de demografische toestand in Vlaanderen. Een analyse van de demografie in Vlaanderen toont aan dat de daling van het geboortecijfer in Vlaanderen de hoofdoorzaak is van de achteruitgang van de Vlamingen in Brussel. Vermits dit de grondoorzaak is moeten we besluiten dat alle pogingen tot verbetering die hiermee geen rekening houden tot mislukken gedoemd zijn.
Door het dalen van het geboortecijfer in Vlaanderen is de Vlaamse inwijking in Brussel weggevallen en wordt dit vacuum opgevuld door Franstaligen of door vreemdelingen die zich in overgrote meerderheid aansluiten bij de Franstalige gemeenschap.

Invloed van de Vlaamse inwijking op de Brusselse bevolking

Van het ontstaan van België tot de jaren 1960 was er een sterke verfransing van de Vlamingen in Brussel. Toch bleef de bevolking van Brussel nog grotendeels Vlaams, dank zij het geboorte-overschot in Vlaanderen, waardoor er een voortdurende toevoer was van nieuwe Vlamingen. Vanaf de jaren 60 is de welstand in Vlaanderen toegenomen en is het geboorte-overschot weggevallen. Er is bijgevolg geen inwijking meer van Vlamingen naar Brussel.

Tot de jaren 1950 sprak nog minstens 50 % van de bevolking van de 19 gemeenten die nu de Brusselse agglomeratie vormen nog daadwerkelijk Vlaams in de huiskring. Nu is dit gedaald tot minder dan 10 %. In diezelfde periode is de totale bevolking van die gemeenten vrijwel constant gebleven. Er is dus een netto verlies van minstens 300.000 Vlamingen. Deze 300.000 Vlamingen vindt men niet elders terug in Vlaanderen. Er is wel een uitwijking naar de rand rond Brussel, maar ook daar is het aantal Vlamingen niet gestegen. Er is daar wel een toename van het aantal franstaligen en anderstaligen.

Demografie in Vlaanderen en Brussel

In Vlaanderen is het geboortecijfer in de laatste tien jaar ongeveer 1,4 kinderen per vrouw. Om een bevolking constant te houden is een geboortecijfer van 2,1 kinderen per vrouw nodig. Dit betekent dat de huidige generatie Vlamingen zal vervangen worden door een nieuwe generatie die slechts twee derden van de huidige generatie zal bedragen. Indien deze toestand constant blijft – en er zijn geen aanwijzingen dat dit zal veranderen in een nabije toekomst – dan kan men voorzien dat de Vlaamse bevolking in de volgende 30 jaar met 1.000.000 zal verminderen en dit houdt dan nog geen rekening met bijkomend verlies door verfransing. We kunnen voorzien dat in die zelfde periode de totale bevolking van Brussel en omgeving, als Europese groeipool, nog zal toenemen. De welstand in Vlaanderen zal hoog blijven zodat er geen inwijking uit Vlaanderen naar Brussel en omgeving te verwachten is. Het is zelfs te voorzien dat er een uitwijking van Vlamingen uit de steeds meer verfranste rand rond Brussel zal ontstaan. Indien deze trend niet wordt omgebogen moeten we een verdere verfransing van Brussel en een brede rand rond Brussel verwachten.

Inwijking van vreemdelingen in Brussel

De rol van de Vlaamse inwijkelingen in Brussel is nu volledig overgenomen door inwijking van vreemdelingen. Zoals de Vlamingen destijds komen ze eerst als ongeschoolde arbeiders het vuile werk doen en werken zich stilaan op in de kleine middenstand en dan de vrije beroepen. Zoals de Vlamingen destijds streven ze ernaar opgenomen te worden in de dominante bevolkingsgroep en dat is de Franstalige gemeenschap. Het deficit aan Vlamingen in Brussel is nu volledig opgevuld door vreemdelingen. Ondertussen is de totale bevolking van België slechts weinig gestegen. Tussen 1960 en 1990 is de bevolking van België gestegen van 8 naar 10 miljoen, terwijl de wereldbevolking gestegen is van 2 naar 5 miljard. Dus is er een relatieve daling van de bevolking in België. Dit leidt tot de conclusie dat de inwijking van vreemdelingen een gevolg is van het vacuum dat hier ontstaan is door de vermindering van de autochtone bevolking. De voornaamste oorzaak van het grote aantal inwijkelingen en de daarmee gepaard gaande verfransing ligt dus bij ons.

Demografie in de andere Europese landen. – Nut van de inwijking.

In alle West-Europese landen, behalve Zweden is er een deficitair geboortecijfer. De vermindering van de autochtone bevolking wordt in de meeste landen en o.a. in Wallonië gecompenseerd door de inwijking. Als de inwijkelingen geïntegreerd worden in de plaatselijke bevolking houdt dit het volk in stand en dit heeft bovendien grote voordelen voor de autochtone bevolking : de autochtone bevolking kan het vuile werk laten doen door migranten, kan zelf opklimmen op de sociale ladder vermits er een nieuwe lagere klasse van inwijkelingen ontstaat, moet minder investeren in kinderen en heeft dus meer geld beschikbaar voor consumptie, kan haar rijkdom overdragen op minder kinderen met een grotere concentratie van de rijkdom in de autochtone bevolking. De inwijkelingen werken daar gretig aan mee vermits ze zich zo snel mogelijk willen integreren in het rijke gastland en zodoende vaak de vurigste verdedigers worden van hun nieuw land en nieuwe kultuur.

Inwijking niet gunstig voor Vlaanderen.
Dit gunstig scenario werkt niet voor Vlaanderen. Migranten hebben steeds de wens zich te integreren in de dominante bevolkingsgroep en in België is dat de Franstalige gemeenschap. Overal in België waar de migranten de kans krijgen zich te integreren in de Franstalige gemeenschap zullen ze dit doen en dat geldt zeker voor Brussel, maar ook voor een brede rand rond Brussel, waar ze zich kunnen verstaanbaar maken in het Frans en van waaruit ze hun kinderen naar de Franstalige scholen in Brussel kunnen sturen.

Belang van een migranten-politiek

Doordat het Vlaams bevolkingsdeficit opgevuld wordt door migranten en doordat de migranten een instrument worden van verfransing, kan een Vlaamse politiek niet voorbijgaan aan het probleem van de migranten. De inwijkelingen sluiten in overgrote meerderheid aan bij de Franstalige bevolking en versterken de franstalige gemeenschap, vooral in en rond Brussel. Vermits de primaire oorzaak ligt in het verminderen van de Vlaamse bevolking en de migratie daarvan een gevolg is, is het verkeerd de oplossing te zoeken in een politiek die tegen de migranten zou gericht zijn. Een van de grote uidagingen voor Vlaanderen en voor de Vlaamse Beweging zal erin bestaan een politiek uit te stippelen waarbij het voortbestaan en welzijn van de eigen bevolking verzekerd wordt zonder de inwijkelingen onrecht aan te doen.

Wat kan hieraan gedaan worden ?
Indien de primaire oorzaak van de verfransing ligt in de demografische toestand in Vlaanderen kan men stellen dat elke politiek die aan deze oorzaak niets verandert tot mislukken gedoemd is. Alle pogingen om Vlamingen naar Brussel te brengen zullen mislukken als deze Vlamingen niet bestaan. Dit betekent niet dat geen maatregelen moeten genomen worden te gunste van de Vlamingen in en rond Brussel. Het corrigeren van de nadelige demografische toestand vergt minstens 30 jaar en in die periode moet alles in het werk gesteld worden om onze huidige posities te vrijwaren.

Is het mogelijk de ongunstige demografische toestand in Vlaanderen te verbeteren ?

De demografie kan beïnvloed worden door een aangepaste sociale, familiale en fiscale politiek, alsook door een gepaste voorlichting van de bevolking. Zweden, dat gekend is om zijn vooruitstrevende sociale politiek, heeft trouwens op dit vlak in de laatste jaren een dalende trend weten te keren, nadat men er heeft ingezien dat een consumptie-welvaartstaat naar de ondergang leidt.

Invloed van het geboortecijfer op de welstand.

We horen voortdurend over de nefaste gevolgen van overbevolking. Overbevolking creëert armoede en dat zien we overduidelijk in de ontwikkelingslanden. In de westerse landen met laag geboortecijfer heerst een nog nooit geziene welstand. Dat overbevolking moet bestreden worden lijdt geen twijfel. Dat rijkdom gecreëerd wordt door een laag geboortecijfer is minder zeker. Die rijkdom is in zekere mate toe te schrijven aan het gebrek aan investering in kinderen. Indien een volk het geld dat het had moeten investeren in het ter wereld brengen en opvoeden van kinderen gebruikt voor consumptie schijnt het zeer rijk te zijn, maar het is in feite zijn kapitaal aan mensen aan het opgebruiken en de volgende generaties zullen dit gebrek aan investering moeten goed maken. Ook onderbevolking kan nefaste gevolgen hebben. Dit leidt tot gebrek aan competitie en aan vooruitgang en tot immigratie met uiteindelijk als gevolg het uiteenvallen van de bestaande sociale orde. Een nauwkeuriger onderzoek toont aan dat de optimale toestand voor het creëren van een stabiele en welvarende maatschappij bestaat in een bevolking die langzaam groeit. Deze groei mag gedeeltelijk bestaan uit immigratie op voorwaarde dat de migranten geïntegreerd worden. Voor Vlaanderen is dat in een nabije toekomst praktisch onmogelijk en om als volk te kunnen overleven moeten we dus streven naar een zeker geboorte-overschot.

Een aangepaste gezinspolitiek

Het is een zeer verspreide opinie, o.a. in de betere klassen van de Vlaamse bevolking dat het ideale gezin bestaat uit 2 ouders en 2 kinderen. Dit lijkt logisch en het stemt overeen met de aanbeveling van de Wereldgezondheidsorganisatie. Met een dergelijk streefcijfer kan onmogelijk een bevolking in stand gehouden worden. Om een stabiele bevolking in stand te houden is een gemiddelde van 2,1 kinderen per vrouw nodig. Vermits sommige vrouwen geen kinderen zullen hebben moet het streefcijfer voor elke vrouw die kinderen kan krijgen minstens 3 kinderen zijn. Het opvoeden van minstens 3 kinderen is voor de ouders een tijdrovende taak die een invloed heeft op de uitoefening van hun beroep en op hun kansen in het beroepsleven. Er moet dus grondig nagedacht worden over de rol van het gezin. Een sociale herwaardering van de taak van de ouders is noodzakelijk. De voorzieningen voor gezinsondersteuning zijn dringend aan herdenking toe.

Invloed van de sociale politiek op het geboortecijfer

Het is goed gekend dat een van de belangrijkste middelen om overbevolking tegen te gaan ligt in het uitbouwen van sociale zekerheid. In de hoofdzakelijk rurale bevolking van de ontwikkelingslanden zijn de mensen voor hun toekomst aangewezen op de steun van hun familie of van hun stam. Het hebben van kinderen is er dus een noodzaak om in hun oude dag of bij tegenslag te kunnen overleven. Deze druk om kinderen te hebben kan verminderd worden indien de ganse gemeenschap door het uitbouwen van een sociale zekerheid zorgt voor ouderdomspensioen en voor verzekering tegen ziekte en werkloosheid.

Een onaangepaste sociale zekerheid kan ook leiden tot een te laag geboortcijfer. In de meeste westerse landen worden de kosten van het opvoeden van kinderen hoofdzakelijk gedragen door de ouders, terwijl de sociale zekerheid die door de volgende generatie zal moeten in stand gehouden worden verdeeld wordt over de ganse bevolking. Wie het opvoeden van kinderen overlaat aan zijn gebuur of aan gastarbeiders heeft meer geld beschikbaar voor consumptie, is dus rijker, en kan via de sociale zekerheid toch profiteren van het werk van die kinderen.

De statistieken hebben reeds herhaaldelijk aangetoond dat gezinnen met kinderen minder inkomen beschikbaar hebben voor consumptie dan alleenstaanden en dan gezinnen zonder kinderen. Door een aanpassing van de sociale zekerheid, van de gezinspolitiek en van de fiscale politiek zou de financiële achteruitstelling van gezinnen met kinderen moeten opgeheven worden. In Zweden werd de sociale politiek aangepast ten gunste van gezinnen met kinderen en het geboortecijfer is er gestegen tot 2,1 kinderen per vrouw.

Verschil tussen Vlaanderen en Wallonië.

Op dit gebied zijn de belangen van Vlaanderen enerzijds en Wallonië en Franstalig Brussel anderzijds tegengesteld : Franstalig België heeft baat bij een deficitair geboortecijfer, terwijl Vlaanderen niet kan overleven zonder geboorte-overschot. Vermits de sociale zekerheid een belangrijke invloed heeft op de demografie is dit wellicht de voornaamste reden waarom het voor Vlaanderen van essentieel belang is dat de Sociale Zekerheid zou gesplitst worden. Vlaanderen moet een eigen sociale en familiale politiek kunnen voeren en moet daartoe alle middelen en dus ook de Sociale Zekerheid in handen hebben.

Dit zijn enkele voorbeelden om aan te tonen dat een andere demografische politiek mogelijk is en voor Vlaanderen noodzakelijk is om op lange termijn te kunnen overleven. Het is noodzakelijk de demografie in Vlaanderen te verbeteren, vermits ons overleven als volk ervan afhangt. Dat zal enkel mogelijk als we een eigen Vlaamse politiek zullen kunnen voeren los van de Belgische politiek en die politiek zal verschillend moeten zijn van de Belgische of Waalse politiek.

Een aangepaste demografische politiek uitstippelen zonder de essentiële sociale verworvenheden van de laatste decennia in gevaar te brengen zal een van de grote uitdagingen zijn voor Vlaanderen in de komende decennia. Als kleinere cultuurgemeenschap tussen machtige en in zekere mate imperialistische culturen, en zonder bescherming van natuurlijke grenzen, zal die taak voor Vlaanderen moeilijker zijn dan voor de meeste andere landen.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s